<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>August 2026</title>
	<atom:link href="https://vedantavani.com/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vedantavani.com</link>
	<description>Will you help us? Share this magazine with your contacts.</description>
	<lastBuildDate>Fri, 07 Aug 2026 19:10:42 +0000</lastBuildDate>
	<language>en-US</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=6.1.11</generator>
	<item>
		<title>Teachings</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/08/teachings/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 05 Aug 2026 12:00:59 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Dutch]]></category>
		<category><![CDATA[English]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15704</guid>

					<description><![CDATA[Reminiscences by Swami Premanandaji Maharaj, Sri Ramakrishna's disciple.]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="text-align: center;">Swami Premanandaji</h2>
<p>&nbsp;</p>
<p>17th June 1913.   It was at the Visitors’ Room at the Belur Math. After the afternoon class on Sri Sri Ramakrishna  &#8216;Kathamrita, Swami Premananda said :   “Every Sadhaka must take up a definite attitude towards God and stick to  it. He must maintain it under all conditions. There are many bhavas (attitudes) possible. Sri Ramakrishna practised in all bhavas: as a friend, a lady-friend and a sweetheart of the Lord,  and also in the attitude of Balarama,  the brother of Sri Krishna. One can also practise in the bhava of Mahadeva.   “One must have intense dispassion  for the world and deep hankering for  the Lord — I must realise Him even in  this birth: even now! No slow process !  Remember this carefully: Work is of no use if you do not get immersed in Him.  Make your heart a temple of the Lord  and install Him there. Take His name and for ever lose yourselves in Him.”</p>
<p>Next day Swami Premananda’s mother visited the Math. After she  had rested a while, the disciple asked  her: “When Sri Ramakrishna asked you to  give him your son, what did he  actually say?”    She replied : “He said: ‘Give me  your son. I feel much pleased when he gives me even a glass of water.’ I  said: “Does anybody give away her son  for nothing?” To this Sri Ramakrishna smiled and replied: ‘Wliat shall I give you ? May  you have devotion to your Chosen  Deity!’”</p>
<p>A villager, who was a teacher in a school,  was narrating his family mishaps to Swami Premananda. The Swami said:   “There was a Brahmo gentleman named Mani Mallik, who used to visit Sri Ramakrishna. His son died. Mani Mallik was overwhelmed  with grief and came to the Master for  relief. At first the Master said : &#8216;Indeed, what can you do? The bereavement of a son is no trifling thing,’ and  so on. He then sat silent for a while after which he began to sing, clapping  his hands: ‘To arms! To arms! O man!  Death enters thy home in battle array!’  etc. Before he left, Mallik said to the  Master: ‘My mind is quite peaceful  now. Now I suffer no more.’   Seeing the villagers, Swami Premananda remarked: “I am overjoyed to see their (of the villagers) enthusiasm. The Master fed us so often with sweets, and loved us so much! Thus did we go to him.  But what have these people received? They merely read of him in books. And yet how full of joy and enthusiasm they are! In this hot sun they went to the station and themselves carried all loads, barefooted and bareheaded.  And they are cooking for all. They also serve cholera patients and thus  rid themselves of all pride, egoism  and fear. And they are quite mindful of their studies also. All this fills me with a great joy. It is to see these  things that I hasten to these parts.  What am I doing? The Master himself  has accomplished everything already.  Swamiji said: “The Master will be  worshipped in every home. Go forth all of you and spread his name everywhere.” Otherwise what shall I, an ignorant man, preach?. . . When I see all this, I think thus: ‘This body will perish one day. What is the good of remaining at home for the sake of health? If my presence serves any  purpose of the people, let me suffer all  the troubles of travel and movement. I don’t mind. In these places I actually see what  the Master and Swamiji had prophesied  before. You will not be required to do much. Just observe these things carefully, and you will learn to love Sri Ramakrishna automatically. Is it easy to meditate and repeat His name continually ? Impossible. Therefore meditate as long as you can and devote the rest of the time in selfless service to others. Thus gradually will your mind be purified and attached to the Lord.”</p>
<p>“My mother used now and then to  shut herself within a room and meditate  all day. If we happened to return home from Calcutta on those days, we had to live in a neighbouring house,  and meet her next day. She was very strict in her discipline. She would never allow us to stay with her in the village home, because she feared that would spoil our education. But she would never utter a harsh word to her daughters-in-law and maidservants.”</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<p><strong>Nederlands</strong></p>
<p>17 juni 1913. Het vond plaats in de bezoekersruimte van de Belur Math. Na de middagles over Sri Sri Ramakrishna &#8216;Kathamrita&#8217; zei Swami Premananda: &#8220;Elke Sadhaka moet een bepaalde houding ten opzichte van God aannemen en daaraan vasthouden. Hij moet die onder alle omstandigheden handhaven. Er zijn vele bhavas (houdingen) mogelijk. Sri Ramakrishna beoefende alle bhavas: als vriend, geliefde en geliefde van de Heer, en ook in de houding van Balarama, de broer van Sri Krishna. Men kan ook oefenen in de bhava van Mahadeva. &#8220;Men moet een intense onthechting van de wereld hebben en een diep verlangen naar de Heer – ik moet Hem zelfs in dit leven realiseren: zelfs nu! Geen langzaam proces! Onthoud dit goed: werk is nutteloos als je niet in Hem opgaat. Maak van je hart een tempel van de Heer en plaats Hem daar. Roep Zijn naam aan en verlies jezelf voor altijd in Hem.&#8221;<br />
De volgende dag bezocht de moeder van Swami Premananda de Math. Nadat ze even had uitgerust, vroeg de discipel haar: &#8220;Wat zei Sri Ramakrishna precies toen hij u vroeg uw zoon aan hem te geven?&#8221; Ze antwoordde: &#8220;Hij zei: &#8216;Geef me uw zoon. Ik ben al heel blij als hij me zelfs maar een glas water geeft.&#8217; Ik zei: &#8216;Geeft iemand zijn zoon zomaar weg?&#8217; Daarop glimlachte Sri Ramakrishna en antwoordde: &#8216;Wat zal ik je geven? Moge je toewijding hebben aan je Uitverkoren Godheid!'&#8221;<br />
Een dorpsbewoner, die leraar was op een school, vertelde Swami Premananda over de tegenslagen in zijn familie. De Swami zei: &#8220;Er was een Brahmo-heer genaamd Mani Mallik, die Sri Ramakrishna regelmatig bezocht. Zijn zoon was overleden. Mani Mallik was overweldigd door verdriet en kwam naar de Meester voor troost. In eerste instantie zei de Meester: &#8216;Inderdaad, wat kun je doen?'&#8221; Het verlies van een zoon is geen kleinigheid,’ enzovoort. Hij zweeg even, waarna hij begon te zingen en in zijn handen te klappen: ‘Naar de wapens! Naar de wapens! O mens! De dood betreedt je huis in slagorde!’ enz. Voordat hij wegging, zei Mallik tegen de Meester: ‘Mijn geest is nu volkomen vredig.’ &#8216;Nu lijd ik niet meer.&#8217; Toen hij de dorpelingen zag, merkte Swami Premananda op: &#8216;Ik ben dolblij om hun (de dorpelingen) enthousiasme te zien. De Meester gaf ons zo vaak zoetigheden en hield zoveel van ons! Zo gingen we naar hem toe. Maar wat hebben deze mensen ontvangen? Ze hebben alleen over hem gelezen in boeken. En toch, wat zijn ze vol vreugde en enthousiasme! In deze brandende zon gingen ze naar het station en droegen zelf alle lasten, blootsvoets en met onbedekte hoofden. En ze koken voor iedereen. Ze verzorgen ook cholerapatiënten en ontdoen zich zo van alle trots, egoïsme en angst. En ze zijn ook nog eens heel geconcentreerd op hun studie. Dit alles vervult me ​​met grote vreugde. Het is om deze dingen te zien dat ik me naar deze streken haast. Wat doe ik? De Meester zelf heeft alles al volbracht. Swamiji zei: &#8220;De Meester zal in elk huis vereerd worden. Ga heen en verspreid zijn naam overal.&#8221;&#8216; Anders wat zou ik, een onwetende man, dan prediken?&#8230; Wanneer ik dit alles zie, denk ik: ‘Dit lichaam zal op een dag vergaan. Wat heeft het voor zin om thuis te blijven omwille van mijn gezondheid? Als mijn aanwezigheid de mensen ten goede komt, laat mij dan alle moeite van het reizen en de verplaatsingen maar verdragen. Dat vind ik niet erg. Op deze plekken zie ik daadwerkelijk wat de Meester en Swamiji eerder hadden voorspeld. Je hoeft niet veel te doen. Observeer deze dingen aandachtig, en je zult vanzelf van Sri Ramakrishna gaan houden. Is het gemakkelijk om te mediteren en Zijn naam voortdurend te herhalen? Onmogelijk. Mediteer daarom zo lang als je kunt en wijd de rest van de tijd aan onbaatzuchtige dienstbaarheid aan anderen. Zo zal je geest geleidelijk aan gezuiverd worden en aan de Heer gehecht raken.’</p>
<p>“Mijn moeder sloot zich zo nu en dan op in een kamer om de hele dag te mediteren. Als we op die dagen toevallig uit Calcutta terugkwamen, moesten we in een naburig huis logeren en haar de volgende dag weer ontmoeten. Ze was erg streng. Ze stond ons nooit toe om bij haar in het dorp te blijven, omdat ze bang was dat dat onze opleiding zou schaden. Maar ze sprak nooit een hard woord tegen haar schoondochters en dienstmeisjes.”</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Reminiscences</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/08/reminiscences/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 05 Aug 2026 12:00:49 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Dutch]]></category>
		<category><![CDATA[English]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15696</guid>

					<description><![CDATA[Reminiscences of Swami Vivekananda by his disciple]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>&nbsp;</p>
<h1 style="text-align: center;">Reminiscences of Swami Vivekananda</h1>
<h3 style="text-align: center;">H. J. VAN HAAGEN</h3>
<p>[Henry J van Haagen was Swami Vivekananda&#8217;s dear disciple and the first secretary of the first-ever Vedanta Society of the world in New York, USA. Along with two others Henry received the first vows of brahmacharya from Swamiji. Henry van Haagen was also the sole distributor of Ramakrishna-Vivekananda literature, photographs etc for the United States. Being a draughtsman, he was instrumental in finalizing the emblem of the Ramakrishna Order, which Swamiji drew on an envelope upon his request.]</p>
<p>WHEN a man steps from darkness into a very bright light, his eyes are dazed for a while and refuse to work properly for the moment. And when we are asked to speak and describe that great joy which lights our very soul, our answer would be, as it were, but a mere groping in the darkness for words. One may perceive and feel most perfect joy, yet not be able to describe it. It is with such feeling that my thoughts wander back to the great impressions of my life, which I can never forget. Although a number of years have passed, these events live in my memory as if they had occurred but yesterday. I well remember my first meeting with the Swami Vivekananda, that great teacher whose nativity we are commemorating this evening.</p>
<p>Though filled with prejudice by my friends, I went to one of the Swami&#8217;s classes, not so much to hear his lecture as to see for the first time a native of India, the land which I had learnt to love through reading the Bhagavad-Gita, the Song Celestial. I was seated in the class-room waiting for the Swami&#8217;s appearance when soon a man came in — one whose walk expressed dignity and whose general bearing showed majesty, like one who owns everything and desires nothing. After a short observation I also saw that he was a very superior man, and withal, one who quickly disclosed a most lovable character. Now I became anxious to hear the words he would speak; and after I had done so but a few minutes, I firmly resolved to be a regular attendant at all his lectures and classes.</p>
<p>That prejudice which was so strong within me when I entered, now seemed to be driven away by his profound knowledge and charming magnetism. It would be too long to describe the great treats that followed. As wholesome food satisfies the hungry and fresh water quenches the thirsty, so my longing for truth was satisfied through the teaching of this wonderful man. And to this very day I have found nothing that gives a better answer and a clearer explanation to the various vital questions which arise in a man&#8217;s mind than the Vedanta philosophy so ably taught by the Swami Vivekananda. Not only were his words in class-room and lecture-room those of instructive value, but also his conversations, while walking on the street or through Central Park, always conveyed the one message.</p>
<p>Many of our interesting little talks I can readily call to mind; for instance, on one occasion I expressed my regret to the Swami that his sublime teachings had no larger following, and his wise and fitting answer was: &#8220;I could have thousands more at my lectures if I wanted them. It is the sincere student who will help to make this work a success and not merely the large audiences. If I succeed in my whole life to help one man to reach freedom, I shall feel that my labours have not been in vain, but quite successful.&#8221; This remark filled me with the desire to be one of his students. The strong impression which this lovable teacher always gave to his students was that of causing them to feel that they alone, while with him, had his whole attention and sympathy. Always willing to devote his entire attention to heeding his students&#8217; most humble wants and queries, he, by this most pleasing attitude, made them most enthusiastic and faithful disciples.</p>
<p>This created that enduring bond of love between teacher and disciple which is so necessary for any teacher&#8217;s real success. And how glorious was his success! Today almost every intelligent person is more or less familiar with the literature which like a flower blossomed out of his work. And many are those — the professor, clergyman, and layman alike — who have been influenced to the better through acquaintance with these literary gems. His teaching bore to us the peace of mind of the Aryan rishis of which we are so much in need. It is but recently that an American scientist pointed out how our fashionable and business life is a continuous nerve storm — a literal hurrying to the grave, speeding along every lifeway, exhausting energy, and inviting premature nervous and mental ruin. Through the strong desire for wealth and sense-gratification the nerve energy is exceedingly overtaxed, and no remedy is sought to restore it.</p>
<p>What better cure for this evil could be conceived than the living of that life which the Vedanta philosophy teaches? Not the excessive nervous rushing hither and tither. nor inactive dullness, but sattva — equipoise and tranquillity — is what is offered by Vedanta, and this only can bring back to us the calm which Western nations have long lost. In his teachings the Swami has admonished us not to direct the war-spirit in us to win the greatest victories, to the slaying of our fellowman in anger and hatred when he differs from us, but to the transmuting of this energy into a strict practice of self-control. And what better teaching can a man spread than one which contains such original thoughts as: &#8220;He conquers. all who conquers self; know this and never yield&#8221;, or &#8220;In books and temples vain thy search. Thine only is the hand that holds the rope that drags thee on.</p>
<p>Then cease lament, let go thy hold.&#8221; And now, though he has gone into the great Peace beyond, because his work was finished, he still lives in our memory and in his work, as he also lives in the message which he brought to us. He has done his duty as a great, good, and true teacher, and gave us the means, That we may know the Truth. But that is only one part, the other, without which all is in vain, is our duly, That we may live the Truth, and increased knowledge brings this additional duty with it. For that purpose, to help and assist us to better live the truth, Vedanta Societies have been formed, classes and lectures are being held, and his Brother-Swamis and sannyasin disciples have come to our shores.</p>
<p>However mighty nation we may be, he did not seek us for anything but for giving Truth and Wisdom, of which we are surely in need. Let us, by living the Truth of Vedanta, prove that this great Master has not brought his wonderful message in vain to us. (Prabuddha Bharata, June 1911)</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="text-align: center;">Dutch</p>
<h3 style="text-align: center;">Herinneringen aan Swami Vivekananda</h3>
<p>&nbsp;</p>
<p>[Henry J. van Haagen was een geliefde discipel van Swami Vivekananda en de eerste secretaris van de allereerste Vedanta Society ter wereld in New York, VS. Henry van Haagen was ook de enige distributeur van Ramakrishna-Vivekananda-literatuur, foto&#8217;s, enz. voor de Verenigde Staten. Als tekenaar speelde hij een belangrijke rol bij het finaliseren van het embleem van de Ramakrishna Orde, dat Swamiji op verzoek op een envelop tekende.]</p>
<p>Wanneer een mens vanuit de duisternis in een zeer helder licht stapt, zijn zijn ogen even verblind en weigeren ze op dat moment goed te functioneren. En wanneer ons gevraagd wordt om die grote vreugde die onze ziel verlicht te beschrijven, is ons antwoord als het ware slechts een tastende zoektocht in het donker naar woorden. Men kan de meest volmaakte vreugde ervaren en voelen, maar die niet kunnen beschrijven. Met dat gevoel dwalen mijn gedachten terug naar de grote indrukken van mijn leven, die ik nooit zal vergeten. Hoewel er vele jaren zijn verstreken, leven deze gebeurtenissen voort in mijn geheugen alsof ze gisteren plaatsvonden. Ik herinner me nog goed mijn eerste ontmoeting met Swami Vivekananda, die grote leraar wiens geboorte we vanavond herdenken.</p>
<p>Hoewel ik door mijn vrienden met vooroordelen werd geconfronteerd, ging ik naar een van de lessen van de Swami, niet zozeer om zijn lezing te horen, maar om voor het eerst een inwoner van India te zien, het land dat ik had leren liefhebben door het lezen van de Bhagavad-Gita, het Hemelse Lied. Ik zat in het klaslokaal te wachten op de Swami, toen er plotseling een man binnenkwam – iemand wiens tred waardigheid uitstraalde en wiens algemene houding majesteit toonde, als iemand die alles bezit en niets begeert. Na een korte observatie zag ik ook dat hij een zeer voorname man was, en bovendien iemand die al snel een zeer innemend karakter toonde. Nu werd ik nieuwsgierig naar wat hij zou spreken; en na slechts enkele minuten had ik me vastberaden voorgenomen om al zijn lezingen en lessen regelmatig bij te wonen.</p>
<p>Dat vooroordeel dat zo sterk in mij leefde toen ik binnenkwam, leek nu verdreven te zijn door zijn diepgaande kennis en charmante uitstraling. Het zou te lang duren om de geweldige ervaringen te beschrijven die volgden. Zoals gezond eten de honger stilt en vers water de dorst lest, zo werd mijn verlangen naar waarheid bevredigd door het onderwijs van deze wonderbaarlijke man. En tot op de dag van vandaag heb ik niets gevonden dat een beter antwoord en een duidelijkere verklaring geeft voor de verschillende essentiële vragen die in iemands geest opkomen dan de Vedanta-filosofie die zo bekwaam werd onderwezen door Swami Vivekananda. Niet alleen waren zijn woorden in de klas en collegezaal van leerzame waarde, maar ook zijn gesprekken, tijdens wandelingen op straat of door Central Park, brachten altijd dezelfde boodschap over.</p>
<p>Veel van onze interessante gesprekjes kan ik me nog goed herinneren; Zo sprak ik bijvoorbeeld eens mijn spijt uit tegenover de Swami dat zijn verheven leer geen grotere aanhang had, waarop hij wijs en treffend antwoordde: &#8220;Ik zou er duizenden meer naar mijn lezingen kunnen trekken als ik dat wilde. Het is de oprechte leerling die dit werk tot een succes zal maken, en niet alleen de grote toehoorders. Als ik er in mijn hele leven in slaag één mens te helpen de vrijheid te bereiken, zal ik het gevoel hebben dat mijn inspanningen niet tevergeefs, maar juist zeer succesvol zijn geweest.&#8221; Deze opmerking vervulde mij met het verlangen om een ​​van zijn leerlingen te worden. De sterke indruk die deze geliefde leraar altijd op zijn leerlingen maakte, was dat hij hen het gevoel gaf dat zij, zolang ze bij hem waren, zijn volledige aandacht en sympathie genoten. Altijd bereid om zijn volledige aandacht te wijden aan de meest nederige behoeften en vragen van zijn leerlingen, maakte hij hen door deze zeer aangename houding tot enthousiaste en trouwe discipelen.</p>
<p>Dit creëerde die duurzame band van liefde tussen leraar en leerling die zo noodzakelijk is voor het ware succes van elke leraar. En hoe glorieus was zijn succes! Tegenwoordig is vrijwel ieder intelligent mens min of meer bekend met de literatuur die als een bloem uit zijn werk is voortgekomen. En velen – professoren, geestelijken en leken – zijn ten goede beïnvloed door de kennismaking met deze literaire pareltjes. Zijn leer bracht ons de gemoedsrust van de Arische rishi&#8217;s, waar we zo naar snakken. Nog niet zo lang geleden wees een Amerikaanse wetenschapper erop hoe ons modieuze en zakelijke leven een voortdurende zenuwstorm is – een letterlijke haast naar het graf, een race tegen de klok op alle levenspaden, die energie uitput en vroegtijdige zenuw- en mentale aftakeling uitlokt. Door het sterke verlangen naar rijkdom en zintuiglijke bevrediging wordt de zenuwenergie extreem overbelast, en er wordt geen remedie gezocht om deze te herstellen.</p>
<p>Welke betere remedie voor dit kwaad is denkbaar dan het leven zoals de Vedanta-filosofie dat leert? Niet het overmatige nerveuze gehaast, noch de passieve traagheid, maar sattva – evenwicht en rust – dat is wat Vedanta biedt, en alleen dit kan ons de kalmte teruggeven die westerse landen al lang kwijt zijn. In zijn leringen heeft de Swami ons gemaand om onze oorlogszucht niet te richten op het behalen van de grootste overwinningen, op het doden van onze medemens in woede en haat wanneer hij van ons verschilt, maar op het omzetten van deze energie in een strikte beoefening van zelfbeheersing. En welke betere leer kan een mens verspreiden dan een leer die zulke originele gedachten bevat als: &#8220;Hij overwint allen die zichzelf overwint; weet dit en geef nooit op&#8221;, of &#8220;Zoek tevergeefs in boeken en tempels. Alleen jij hebt de hand die het touw vasthoudt dat je meesleurt.</p>
<p>Houd dan op met klagen, laat los.&#8221; En nu, hoewel hij is heengegaan naar de grote Vrede hiernamaals, omdat zijn werk voltooid was, leeft hij voort in onze herinnering en in zijn werk, evenals in de boodschap die hij ons bracht. Hij heeft zijn plicht gedaan als een groot, goed en waarachtig leraar en ons de middelen gegeven om de Waarheid te kennen. Maar dat is slechts één deel; het andere deel, zonder welk alles tevergeefs is, is onze plicht om de Waarheid te leven, en toegenomen kennis brengt deze extra plicht met zich mee. Om ons te helpen en bij te staan ​​de waarheid beter te leven, zijn Vedanta-verenigingen opgericht, worden er lessen en lezingen gehouden en zijn zijn broeder-swamis en sannyasin-discipelen naar onze kusten gekomen.</p>
<p>Hoe machtig onze natie ook moge zijn, hij zocht ons niet voor iets anders dan om ons de Waarheid en Wijsheid te schenken, waar we zeker behoefte aan hebben. Laten we, door de Waarheid van Vedanta te leven, bewijzen dat deze grote Meester zijn wonderbaarlijke boodschap niet tevergeefs aan ons heeft gebracht. (Prabuddha Bharata, juni 1911)</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Ireland&#8230;</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/08/ireland/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 05 Aug 2026 12:00:38 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Dutch]]></category>
		<category><![CDATA[English]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15718</guid>

					<description><![CDATA[Thoughts &#8220;The voices mingle and merge into a hazy silence: a silence that is the infinity of space.&#8221; James Joyce, Chronicles of Dublin  Paulo J. S. Bittencourt Professor of the History Course at UFFS – Erechim Campus Here in Ireland, summer is dying. The warm face of the weather transforms into shades of gray, like...]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p><em><strong>Thoughts</strong></em></p>
<h3 style="text-align: center;">&#8220;The voices mingle and merge into a hazy silence:</h3>
<h3 style="text-align: center;">a silence that is the infinity of space.&#8221;</h3>
<p style="text-align: center;"><strong><em>James Joyce, Chronicles of Dublin </em></strong></p>
<h3 style="text-align: center;"><strong>Paulo J. S. Bittencourt</strong></h3>
<h5 style="text-align: center;">Professor of the History Course at UFFS – Erechim Campus</h5>
<p>Here in Ireland, summer is dying. The warm face of the weather transforms into shades of gray, like a Phoenix, and the misty season of autumn gradually dawns.</p>
<p>I perceive what seems to be a pattern. Almost entirely, the days are taken over by dense clouds from whose opacity flow gentle, intermittent rains. But, at nightfall, a door of dense smoke gives way to the vestibule of the most indigo sky. At first, only timidly glimpsed, the announced sun soon loses its scruples and sensitivities. The celestial mist retreats devoutly before Phoebus, its pungent rays take over, and, at least for an instant, the meaning of the attribute conferred by the disinterested Romans to this land, that of distant Hibernia, the &#8220;Land of Winter,&#8221; is betrayed.</p>
<p>Today, the island, once celebrated for its isolation, has become the setting for very different odysseys. Wandering the streets of Dublin, a Babel-like jumble of voices accompanies the passerby wherever they go, as they perceive the overflowing polyphonic mix of languages ​​from the most distant corners of the world. These are dialects from India, China, Scandinavian countries, Mexico, Brazil and other parts of &#8220;Our America,&#8221; Portugal, the Levant, Africa, the United States, Canada, Spain, to name just a few of the most common and familiar. And these are not only nomads and visitors. They are long-established inhabitants. In this Celtic Sumeria, the island as a whole, there are no &#8220;ziggurat-towers&#8221; like that of biblical Nimrod. One sees more Norman elevations, many of them in ruins, with their rectilinear constructions of thick stones. Though they seem far from reaching the heavens, they point towards them, just like the scattered towers and pinnacles of Christian churches. Indeed, while the national identity of the island&#8217;s native populations remains strongly associated with Catholicism, the Catholicism that now predominates seems to be based more on another spiritual understanding. This is the secular &#8220;universalism&#8221; of the people, that of the &#8220;ecumenical world&#8221; which dispenses with religiosity, at least to define itself as such. Far from disintegrating in the confusion of linguistic chaos, the fabric of the multitude remains relatively cohesive through English, the language of more contemporary empires. Could this be the materialization of an idea outlined by the late Brazilian philosopher Gerd Borheim, according to which ideal universalism could not, in fact, be realized except through the lived mediation of particularisms? Looking at a much more distant future, I couldn&#8217;t help but envision the notion of absolutely fragmented national identities as ethnically homogeneous realities. One might be far from imagining, like John Lennon, that there will be no countries. But, at the very least, it would become almost a historical imperative to profoundly rethink their nature.</p>
<p>But, as I walked through the streets of Dublin, I entered a certain commercial establishment. It was then that I realized that, because it was September 7th, Brazilians, in particular, were serving the public. I had been thinking, shortly before, about how this Dublin, once an Ireland distanced from the world, has become this Dublin of fluid, diffuse, and porous ethnic borders, the capital of a country that was not viscerally traversed by the colonialist impulse of other European nations. On the contrary, I remembered the nearly 5 million Irish immigrants who went to the giant of North America between the 19th and 20th centuries, many of them reduced to the condition of pariahs and servants, alongside the even more vilified Black people. I couldn&#8217;t help but also remember idealistic young Irishmen, like Daniel Florence O&#8217;Leary, who became Simón Bolívar&#8217;s aide-de-camp during the struggles for South American independence in the first quarter of the 19th century. And then, when I found myself inside the same establishment I mentioned, I heard something that immediately turned my stomach. The implosive dissonance of a completely unexpected piece of music dismantled the edifice of rapture that had been built up within me. Yes, I was in the same Dublin of George Bernard Shaw, Oscar Wilde, James Joyce, and Samuel Beckett, and I couldn&#8217;t imagine anything more amazing than seeing Brazilians offering passersby a bit of Tom Jobim and João Gilberto, Chico and Caetano, Elis Regina and Maria Bethânia, Mutantes and Belchior, Raul Seixas and Legião Urbana. But no, I&#8217;m a dreamer from the countryside, who has &#8220;a song from the radio in my head where an old Bahian composer told me &#8216;Everything is divine, everything is wonderful.'&#8221;</p>
<p>Then, suddenly, it came to me, slapping me in the face, the parallel Brazil, the Brazil narrated by George Orwell, of the most horrific obtuse right wing, where everything is plunged into the most abominable crisis, a crisis far more than aesthetic, the monothematic and monotheistic extreme right wing, which has hijacked everything, absolutely everything, for itself, regurgitated the hostage into its disgusting entrails and vomited it out,  its foul content was shoved in our faces, in the face of the world, with the utmost audacity.</p>
<p>In that same establishment, they played non-stop country music.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignleft" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2024/01/Paulo-e1703682281918.png" width="139" height="195" /></p>
<p>&nbsp;</p>
<h6 style="text-align: center;">Professor Paulo Bittencourt teaches History at the UFFS, Erchim Campus, Rio Grande de Sul. “Federal University of Southern Frontier” [UFFS] is one of the best universities of Brasil with highly qualified professors at the helm. Professor Bittencourt never rejects our request for articles, though he is very busy.</h6>
<h2 style="text-align: center;"></h2>
<p>&nbsp;</p>
<p><strong><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-full wp-image-14574" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2025/08/IMG-20250411-WA0082-e1753794030639.jpg" alt="" width="1500" height="640" />Nederlandse Vertaling</strong></p>
<p style="text-align: center;">&#8220;De stemmen vermengen zich en versmelten tot een wazige stilte:<br />
een stilte die de oneindigheid van de ruimte is.&#8221;</p>
<p style="text-align: center;">James Joyce, Kronieken van Dublin</p>
<h6 class="Default" style="text-align: center;">Prof Paulo Bittencourt</h6>
<p>Hier in Ierland sterft de zomer ten einde. Het warme weer verandert in grijstinten, als een feniks die herrijst, en de mistige herfst breekt langzaam aan.</p>
<p>Ik zie een patroon. De dagen worden bijna volledig in beslag genomen door dichte wolken, waaruit zachte, intermitterende regenbuien stromen. Maar bij het vallen van de avond opent een sluier van dichte rook zich naar de voorhof van een diepblauwe hemel. Eerst slechts schuchter te zien, verliest de aangekondigde zon al snel haar schroom en gevoeligheid. De hemelse mist trekt zich eerbiedig terug voor Phoebus, haar doordringende stralen nemen het over, en, althans voor een moment, wordt de betekenis van de bijnaam die de onbaatzuchtige Romeinen aan dit land gaven, die van het verre Hibernia, het &#8220;Land van de Winter&#8221;, ontkracht.</p>
<p>Vandaag de dag is het eiland, ooit geroemd om zijn isolement, het decor geworden voor heel andere odyssees. Dwalend door de straten van Dublin, wordt de voorbijganger overal vergezeld door een Babylonische spraakverwarring, een overvloed aan polyfone talen uit de verste uithoeken van de wereld. Het zijn dialecten uit India, China, Scandinavische landen, Mexico, Brazilië en andere delen van &#8220;Ons Amerika&#8221;, Portugal, de Levant, Afrika, de Verenigde Staten, Canada, Spanje, om er maar een paar van de meest voorkomende en bekende te noemen. En het zijn niet alleen nomaden en bezoekers. Het zijn ook al lang gevestigde bewoners. In dit Keltische Sumerië, het eiland als geheel, zijn er geen &#8220;ziggurattorens&#8221; zoals die van de Bijbelse Nimrod. Men ziet er meer Normandische bouwwerken, waarvan vele in ruïne, met hun rechthoekige constructies van dikke stenen. Hoewel ze ver van de hemel lijken te reiken, wijzen ze er wel naar, net als de verspreide torens en pinakels van christelijke kerken. Hoewel de nationale identiteit van de inheemse bevolking van het eiland nog steeds sterk verbonden is met het katholicisme, lijkt het katholicisme dat nu overheerst meer gebaseerd te zijn op een ander spiritueel begrip. Dit is het seculiere &#8216;universalisme&#8217; van het volk, dat van de &#8216;oecumenische wereld&#8217; die religiositeit afwijst, althans om zichzelf als zodanig te definiëren. Verre van te desintegreren in de verwarring van de taalchaos, blijft de structuur van de massa relatief samenhangend door het Engels, de taal van meer hedendaagse rijken. Zou dit de verwezenlijking kunnen zijn van een idee dat de overleden Braziliaanse filosoof Gerd Borheim schetste, namelijk dat ideaal universalisme in feite alleen gerealiseerd kan worden door de geleefde bemiddeling van particularismen? Kijkend naar een veel verder verwijderde toekomst, kon ik niet anders dan het idee van absoluut gefragmenteerde nationale identiteiten als etnisch homogene realiteiten voor me zien. Men hoeft zich, zoals John Lennon al zei, niet voor te stellen dat er geen landen meer zullen bestaan. Maar het zou op zijn minst een bijna historische noodzaak worden om hun aard grondig te heroverwegen.</p>
<p>Maar terwijl ik door de straten van Dublin liep, ging ik een bepaalde winkel binnen. Toen besefte ik dat, omdat het 7 september was, er met name Brazilianen in de zaak zaten. Ik had kort daarvoor nog nagedacht over hoe dit Dublin, ooit een Ierland dat zich van de wereld afkeerde, nu een Dublin is met vloeiende, diffuse en poreuze etnische grenzen, de hoofdstad van een land dat niet op een diepgewortelde manier is doordrongen door de kolonialistische impulsen van andere Europese naties. Integendeel, ik dacht aan de bijna 5 miljoen Ierse immigranten die tussen de 19e en 20e eeuw naar de reus Noord-Amerika trokken, velen van hen tot paria&#8217;s en bedienden gereduceerd, net als de nog veel meer verguisde zwarte bevolking. Ik moest ook denken aan idealistische jonge Ieren, zoals Daniel Florence O&#8217;Leary, die in het eerste kwart van de 19e eeuw adjudant van Simón Bolívar werd tijdens de strijd voor de onafhankelijkheid van Zuid-Amerika. En toen ik me in hetzelfde etablissement bevond dat ik eerder noemde, hoorde ik iets dat me meteen misselijk maakte. De implosieve dissonantie van een volkomen onverwacht muziekstuk brak het bouwwerk van extase dat in mij was opgebouwd af. Ja, ik was in hetzelfde Dublin als George Bernard Shaw, Oscar Wilde, James Joyce en Samuel Beckett, en ik kon me niets mooiers voorstellen dan Brazilianen die voorbijgangers trakteerden op muziek van Tom Jobim en João Gilberto, Chico en Caetano, Elis Regina en Maria Bethânia, Mutantes en Belchior, Raul Seixas en Legião Urbana. Maar nee, ik ben een dromer van het platteland, die &#8220;een liedje van de radio in mijn hoofd heeft, waarin een oude componist uit Bahía me vertelde: &#8216;Alles is goddelijk, alles is wonderbaarlijk.'&#8221;</p>
<p>Toen drong het plotseling tot me door, als een klap in mijn gezicht, het parallelle Brazilië, het Brazilië zoals beschreven door George Orwell, van de meest afschuwelijke, kortzichtige rechtse vleugel, waar alles is ondergedompeld in de meest weerzinwekkende crisis, een crisis die veel meer is dan esthetisch, de monothematische en monotheïstische extreemrechtse vleugel, die alles, absoluut alles, voor zichzelf heeft gekaapt, de gijzelaar in zijn walgelijke ingewanden heeft opgegeten en weer heeft uitgebraakt.</p>
<p>De walgelijke inhoud werd ons, de hele wereld, met de grootste brutaliteit opgedrongen.</p>
<p>In diezelfde zaak werd non-stop countrymuziek gedraaid.</p>
<h6>Professor Paulo Bittencourt is een briljante docent Oude en Middeleeuwse Geschiedenis aan de Universidade Federal da Fronteira Sul (UFFS) [Campus Erechim] in Brazilië. Hij publiceert regelmatig artikelen en is tevens columnist voor een tijdschrift. Hij heeft diverse boeken op zijn naam staan. Hij is een fervent aanhanger van de Vedantaleer.</h6>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>A Great Life</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/08/gratitude/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 05 Aug 2026 12:00:20 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Dutch]]></category>
		<category><![CDATA[English]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15682</guid>

					<description><![CDATA[Saint Augustine and the girl who could not kneel Kees Boukema “The Posthumous Writings of Etty Hillesum” (Amsterdam, 1986) contains diaries and letters that provide a picture of the spiritual development of a Jewish woman in the first years of the Second World War. In January 1939, Adolf Hitler had announced in the Reichstag: “If...]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="text-align: center;">Saint Augustine</h2>
<h4 style="text-align: center;"><em>and</em></h4>
<h2 style="text-align: center;"><em> the girl who could not kneel</em></h2>
<p style="text-align: center;"><strong>Kees Boukema</strong></p>
<p>“The Posthumous Writings of Etty Hillesum” (Amsterdam, 1986) contains diaries and letters that provide a picture of the spiritual development of a Jewish woman in the first years of the Second World War. In January 1939, Adolf Hitler had announced in the Reichstag: “If international Jewish capitalism succeeds once again in unleashing a world war, then that will not lead to a victory for Judaism, but to the destruction of the Jewish race in Europe.” From that moment on, Etty, her family, and her friends knew that they were threatened with total extermination. When the Second World War broke out in September of that same year and the German army invaded the Netherlands on May 10, 1940, that threat became concrete.</p>
<p>In early February 1941, Etty comes into contact with chirologist Julius Spier, a psychotherapist trained by Carl Gustav Jung. She decides to start therapy with him. He instructs her to start every day with physical exercises and meditation. He teaches her to view depression as a ‘creative pause’ and advises her to keep a diary. Through strict self-discipline, Etty succeeds in controlling her inner chaos; she makes herself resilient by becoming aware of the deep inner forces within her.</p>
<p>Spier also gave her ‘inspiring’ reading material. Among it were the ‘Confessions’ by the North African-born bishop Aurelius Augustinus (354 – 430). She makes it a habit to read it early in the morning and soon becomes captivated: “He is so compelling and passionate, my Augustinus on an empty stomach.” She recognizes the sexual obsessions with which Augustinus struggled, but which she gladly allowed herself to be carried away by. From Augustinus she learns how to pray: by speaking confidentially, pouring out her heart to God. On May 30, 1942, she writes: “I was already with Saint Augustine early this morning and wish to retain a few words of his here: &#8216;Let my soul praise you for these things, my God, Creator of all things, but let my senses not attach themselves to them in sinful love, for they go the way like all things and cease to exist. They tear the soul apart with a sickening desire, for the soul wants to dwell in what it loves and rest in it. But there is no rest in those things, they are fleeting. They fly away and with the bodily senses one cannot follow them. One cannot even grasp them, even though they stand right before you. Bodily sensations are slow, so they are created.” (Confessions 4:15).</p>
<p>On April 3, 1942: “Between Spier’s bookcase and my narrow monk’s bed there is still just enough space,<br />
for me to kneel there. Something I have wanted to write down for days, or for weeks, but which I cannot formulate out of a kind of shyness – or still false shame? Sometimes a natural movement of wanting to kneel runs through my entire body; no, it is something else: it is as if the kneeling gesture has been molded throughout my entire body. Sometimes, in moments of great gratitude, it is an irresistible urge to kneel down, head bowed deeply, hands in front of the face. It has become a gesture that resides within my body, and that gesture sometimes wants to be realized. And I remember: The girl who could not kneel. And while writing these things, a feeling of a certain embarrassment, as if one were writing about the most intimate of the intimate. Much more shame and shyness than if I were to write about my love life. Is there really anything as intimate as man&#8217;s relationship to God?</p>
<p>June 22, 1942, she came home dead tired and dejected and could not resist ‘parasitic fantasies’ and writes: “I was exhausted [&#8230;.] and could make myself so miserable, but I knelt before my bed just in time and said: ‘No God, so much nonsense is beneath my dignity, please take this away from me. And I said hard and simple things to myself and then it was over with those energy-devouring fantasies and I went to sleep obediently.”.</p>
<p>Then later: “I am a loner and can take as high and strong a flight as I wish. I am at a beginning, but that beginning is there, I know for sure. It is a being drawn to oneself by all the forces that are within a human being; it is a life with God and in God and God in me (I sometimes find the word God so<br />
primitive; after all, it is merely a metaphor, an approximation of our greatest and uninterrupted inner<br />
adventure; I believe that I do not even need the word God; sometimes it strikes me as a primitive<br />
primeval sound). And when I sometimes feel the urge to speak to God in the evening and say very childishly, God, things cannot go on like this any longer with me, and sometimes my prayers can be very desperate and seeking help, then it is just as if I am speaking to something that is within myself, and as if I am trying to exorcise a part of myself.”</p>
<p>In the summer of 1942, new ordinances against Jews are promulgated. All Jews are required to wear a yellow star on their clothing, and their freedom of movement is drastically restricted. It is a social isolation in preparation for their deportation via Drenthe to Poland. Etty feels that the fear and suffering of the people around her are increasing. She writes: “One time it is Hitler, another time Ivan the Terrible, and another time wars, the plague, earthquakes, and famine. Ultimately, it is about how one bears, endures, and processes the suffering that is essential to this life, and how one can preserve a piece of one&#8217;s soul intact through it all. Suffering, yes, total destruction, must be accepted without hatred, without vindictiveness, without despair (&#8230;). Life and death, suffering and joy. The blisters on worn-out feet and the jasmine behind my garden, the persecutions, the countless cruelties, everything and everything, it is within me as one powerful whole and I accept all of that as one whole (&#8230;). One can suffer with dignity and with indignity. I mean: most Westerners do not understand the art of suffering and they get a thousand fears in its place. This is no longer life, what most do: fear, resignation, bitterness, despair. (&#8230;).  Actually, my life is a continuous inner listening within myself, within others, within God. It is actually God, the most essential and deepest part of me, listening to the most essential and deepest part of the other, God to God.&#8221;</p>
<p>When the mass deportation of Jews begins, some of her friends try to go into hiding, others flee the country, or join the resistance. At the urging of her family, Etty applies for a job at the Jewish Council and is hired. With that, she is ‘temporarily’ exempt from deportation. At her own request, she is assigned to work in the ‘Aid to Those Departing’ department in the Westerbork transit camp, where she could support her fellow sufferers.<br />
On October 9, 1942, she writes: “I am going to read Saint Augustine again. He is so strict and fervent. And so full of outright surrender in his letters of love to God. Actually, those are the only love letters one should write: those to God. Is it very arrogant of me to say that I have far too much love inside me to be able to give to just one person? I find something childish in the thought that one should only be allowed to love one person his whole life and no one else. There is something very impoverished and meager in that.”</p>
<p>And the next day: “I believe I can bear and process everything of this life and this time. And when the turbulence is too great, and when I can no longer find my way out of it at all, then two folded hands and a bent knee always remain for me. It is a gesture that has not been handed down to us Jews from generation<br />
to generation. I had to learn it with difficulty. It is my most precious inheritance from the man whose name I have almost forgotten, but with whose best part I live on.  What a remarkable history that has actually been of mine: that of the girl who could not kneel. Or, with a variation: of the girl who learned to pray. It is my most intimate gesture, more intimate than the intimacy I have in being with a man. After all, one cannot pour out all one’s love over one person, can one?” [p. 580].<br />
On September 7, 1943, Etty Hillesum was deported with her parents and brother from Westerbork to<br />
the extermination camp Auschwitz. There she was murdered on November 30 of that year.</p>
<h6><strong><img decoding="async" loading="lazy" class="alignleft" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2023/12/Boukema.jpg" width="126" height="168" /></strong></h6>
<h6></h6>
<h6><strong>Mr Kees Boukema</strong> is a scholar in Vedanta and Comparative philosophy. His brilliant and thorough-going articles on various philosophical and spiritual subjects are being published since the first issue of the magazine. His latest work is <em>De Beoefening van Meditatie.</em></h6>
<p>&nbsp;</p>
<h2></h2>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-full wp-image-14574" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2025/08/IMG-20250411-WA0082-e1753794030639.jpg" alt="" width="1500" height="640" /></p>
<p><span style="font-weight: 400;">  </span></p>
<h2 style="text-align: center;">De Heilige Augustinus en het meisje dat niet kon knielen</h2>
<p style="text-align: center;"><strong>Kees Boukema</strong></p>
<p><span style="font-weight: 400;"> </span></p>
<p>“De nagelaten geschriften van Etty Hillesum.” (Amsterdam, 1986) bevatten dagboeken en brieven die<br />
een beeld geven van de geestelijke ontwikkeling van een joodse vrouw in de eerste jaren van de tweede<br />
wereldoorlog. In januari 1939 had Adolf Hitler in de Rijksdag aangekondigd:“Als het internationaal<br />
joods-kapitalisme opnieuw er in slaagt om een wereldoorlog te ontketenen, dan zal dat niet leiden tot een<br />
overwinning van het jodendom, maar tot de vernietiging van het joodse ras in Europa.”. Vanaf dat<br />
moment wisten Etty, haar familie en haar vrienden dat zij met totale uitroeiing werden bedreigd. Als in<br />
september van datzelfde jaar de tweede wereldoorlog uitbreekt en op 10 mei 1940 het Duitse leger<br />
Nederland binnenvalt wordt die dreiging concreet.<br />
Begin februari 1941 komt Etty in contact met chiroloog Julius Spier, een door Carl Gustav Jung<br />
opgeleide psycho-therapeut. Zij besluit om bij hem in therapie te gaan. Hij draagt haar op om elke dag te<br />
beginnen met lichaamsoefeningen en meditatie. Hij leert haar om een depressie te zien als een ‘creatieve<br />
pauze’en raadt haar aan om een dagboek bij te houden. Door strikte zelfdiscipline slaagt Etty erin, om<br />
haar innerlijke chaos te beheersen; ze maakt zich weerbaar door zich bewust te worden van de diepe<br />
innerlijke krachten in haar.<br />
Spier gaf haar ook ‘inspirerende’ lectuur mee. Daaronder de ‘Confessiones’ van de in Noord Afrika<br />
geboren bisschop Aurelius Augustinus (354 – 430). Zij maakt er een gewoonte van om er ‘s ochtends<br />
vroeg in te lezen en raakt al gauw geboeid: “Hij is zo meeslepend en gloedvol mijn Augustinus op de<br />
nuchtere maag”. Ze herkent de seksuele obsessies waarmee Augustinus worstelde, maar waar zij zich<br />
graag door liet meevoeren. Van Augustinus leert ze hoe ze kan bidden: door vertrouwelijk te spreken, haar<br />
hart uit te storten voor God. Op 30 mei 1942 schrijft ze:“Ik was vanmorgen in de vroegte al samen met de<br />
Heilige Augustinus en wil een paar woorden van hem hier vasthouden: “Laat mijn ziel je voor deze<br />
dingen prijzen, mijn God, Schepper van alles, maar laten mijn zintuigen zich er niet aan hechten in<br />
zondige liefde, want ze gaan de weg als alle dingen en houden op te bestaan. Ze verscheuren de ziel met<br />
een ziekmakend verlangen, want de ziel wil verblijven in wat ze bemint en er in rusten. Maar er is geen<br />
rust in die dingen, ze zijn vluchtig. Ze vliegen heen en met de lichamelijke zintuigen kan men ze niet<br />
volgen. Men kan ze zelfs niet grijpen, al staan ze pal voor je. Lichamelijke gewaarwordingen zijn traag,<br />
zo zijn ze geschapen.” ( Confessiones 4:15).<br />
Op 3 april 1942: “Tussen Spier zijn boekenkast en mijn smalle monnikenbed is nog net zoveel ruimte,<br />
dat ik er kan neerknielen. Iets wat ik al dagen lang, of al weken lang, wil opschrijven, maar dat ik uit een<br />
soort schuchterheid – of nog steeds valse schaamte? – niet formuleren kan: Door mijn hele lichaam gaat<br />
soms een natuurlijke beweging van te willen knielen, nee, het is nog anders: het is of het knielgebaar<br />
gemodelleerd is door heel mijn lichaam heen. Soms, in momenten van grote dankbaarheid, is het me een<br />
onweerstaanbare behoefte neer te knielen, het hoofd diep gebogen, de handen voor het gezicht. Het is een<br />
gebaar geworden, dat in m’n lichaam zit en dat gebaar wil soms verwezenlijkt zijn. En ik herinner me:<br />
Het meisje, dat niet knielen kon. En bij het schrijven van deze dingen toch een gevoel van een zekere<br />
gêne, of men over het intiemste van het intiemste schrijft. Veel meer schaamte en schuchterheid, dan<br />
wanneer ik over mijn liefdesleven zou schrijven. Is er ook wel iets zo intiems als ‘s mensen verhouding<br />
tot God?”<br />
22 juni 1942, ze is doodmoe en terneergeslagen thuisgekomen en kan geen geen weerstand bieden<br />
tegen ‘uitvretende fantasiëen’ en schrijft : “Ik was oververmoeid [&#8230;.] en kan mezelf dan zo ongelukkig<br />
liggen te maken, maar nog tijdig knielde ik voor mijn bed en zei: ‘Nee God, zoveel onzin is toch beneden<br />
mijn waardigheid, neem dit toch van mij weg.’ En ik zei harde en eenvoudige dingen tegen mezelf en toen<br />
was het uit met die krachten verslindende fantasieën en ben ik braaf gaan slapen.”.<br />
Dan later: “Ik ben een éénling en kan een zo hoge en sterke vlucht nemen als ik wil. Ik ben aan een<br />
begin, maar dat begin is er, ik weet het zeker. Het is een, tot zich aangetrokken hebben van alle krachten,<br />
die er in een mens zijn, het is een leven met God en in God en God in mij (ik vind het woord God soms zo<br />
primitief, het is toch maar een gelijkenis, een benadering van ons grootste en ononderbroken, innerlijke<br />
avontuur, ik geloof dat ik het woord God niet eens nodig heb, het komt me soms voor als een primitieve<br />
oer-klank). En als ik soms ‘s avonds de neiging voel God toe te spreken en heel kinderlijk zeg, God, zo<br />
gaat het toch niet langer met mij en soms kunnen mijn gebeden zeer vertwijfeld en hulpzoekend zijn, dan<br />
is het toch net of ik iets toespreek dat er in mijzelf is, en of ik een stuk van mezelf probeer te bezweren.”.<br />
In de zomer van 1942 worden nieuwe verordeningen tegen Joden afgekondigd. Alle Joden moeten een<br />
gele ster gaan dragen op hun kleding en hun bewegingsvrijheid wordt drastisch ingeperkt. Het is een<br />
sociaal isolement ter voorbereiding van hun deportatie via Drenthe naar Polen. Etty voelt, dat de angst en</p>
<p>het lijden van de mensen om haar heen toeneemt. Ze schrijft:”De ene keer is het Hitler, de andere keer<br />
Ivan de verschrikkelijke en een andere keer oorlogen, de pest, aardbevingen en hongersnood. Het gaat er<br />
in laatste instantie om hoe men het lijden, dat toch essentieel voor dit leven is, draagt en verdraagt en<br />
verwerkt en dat men een stukje van zijn ziel ongeschonden kan bewaren door alles heen. Het lijden, ja de<br />
totale vernietiging moet aanvaard worden zonder haat, zonder wraakzucht, zonder te wanhopen (&#8230;.). Het<br />
leven en het sterven, het lijden en de vreugde. De blaren van de kapot gelopen voeten en de jasmijn achter<br />
mijn tuin, de vervolgingen, de ontelbare wreedheden, alles en alles, het is in mij als één krachtig geheel en<br />
ik aanvaard dat alles als één geheel (&#8230;.) Men kan menswaardig lijden en mensonwaardig. Ik bedoel: de<br />
meeste westerlingen verstaan de kunst van het lijden niet en zij krijgen er duizend angsten voor in de<br />
plaats. Dit is geen leven meer, wat de meesten doen: angst, resignatie, verbittering, wanhoop. (&#8230;).<br />
Eigenlijk is mijn leven een voortdurend innerlijk luisteren in mijzelf, in anderen, in God. Het is eigenlijk<br />
God, het wezenlijkste en diepste in mij dat luistert naar het wezenlijkste en diepste in de ander, God tot<br />
God”.<br />
Als de massale deportatie van Joden een aanvang neemt proberen sommige van haar vrienden onder te<br />
duiken, anderen vluchten het land uit, of sluiten zich aan bij het verzet. Op aandringen van haar familie,<br />
solliciteert Etty naar een baantje bij de Joodse Raad en wordt aangenomen. Daarmee is ze ‘voorlopig’<br />
vrijgesteld van deportatie. Ze wordt op eigen verzoek te werk gesteld bij de afdeling ‘Hulp aan<br />
Vertrekkenden” in het doorgangskamp Westerbork, waar ze haar lotgenoten kon steunen.<br />
Op 9 october 1942 schrijft ze: “Ik ga weer de Heilige Augustinus lezen. Hij is zo streng en gloedvol. En<br />
zo vol van regelrechte overgave in zijn minnebrieven aan God. Eigenlijk zijn dat de enige liefdesbrieven<br />
die men zou moeten schrijven: die aan God. Is het heel hovaardig van me als ik zeg, dat ik veel te veel<br />
liefde in me heb om aan één mens alleen te kunnen geven? Ik vind iets kinderachtigs in de gedachte, dat<br />
men z’n hele leven maar één mens zou mogen liefhebben en niemand anders. Daar zit iets heel armoedigs<br />
en schraals in.”.<br />
En de volgende dag: “Ik geloof, ik kan alles van dit leven en deze tijd dragen en verwerken. En<br />
wanneer de onstuimigheid te groot is, en wanneer ik er helemaal niet meer uit weet te komen, dan blijven<br />
me altijd nog twee gevouwen handen en gebogen knie. Het is een gebaar, dat ons Joden niet van geslacht<br />
op geslacht is overgeleverd. Ik heb het moeizaam moeten leren. Het is mijn kostbaarste erfdeel van de<br />
man wiens naam ik al bijna vergeten heb, maar met wiens beste deel ik verder leef.<br />
Wat is dat eigenlijk een merkwaardige geschiedenis geweest van mij: die van het meisje dat niet<br />
knielen kon. Of met een variatie: van het meisje dat leerde te bidden. Het is mijn intiemste gebaar,<br />
intiemer dan de intimiteit die ik heb in het samenzijn met een man. Men kan toch immers niet al z’n liefde<br />
over één mens uitgieten?” [p. 580].<br />
Op 7september 1943 werd Etty Hillesum met haar ouders en broer weggevoerd van Westerbork naar<br />
het vernietigingskamp Auschwitz. Daar werd ze op 30 november van dat jaar vermoord.</p>
<h6><img decoding="async" loading="lazy" class="wp-image-11908 alignleft" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2023/12/Boukema.jpg" alt="" width="114" height="152" /></h6>
<h6></h6>
<h6>Kees Boukema is sinds decennia student van Vedanta en andere filosofische systemen. Hij heeft divers bijgedragen aan het veld van hoger denken. Hij heeft belangrijke artikelen en boeken geschreven en vertaald. Het nieuwste boek van Dhr Kees Boukema is, <strong>De Beoefening van Meditatie.</strong></h6>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Editorial</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/08/editorial-12/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 05 Aug 2026 12:00:16 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Dutch]]></category>
		<category><![CDATA[English]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15711</guid>

					<description><![CDATA[Editorial India Recently India had to witness some disturbance. A disturbance by students but not students. It turned into an anti-national horror by criminals, leftists, political power-mongers, conversion machinery and desert people, funded by international gangs to harm Hindu dharma and India. During this extremely unpleasant situation where evil showed its ugliest face, some leftists...]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p><em><strong>Editorial</strong></em></p>
<h4>India</h4>
<p>Recently India had to witness some disturbance. A disturbance by students but not students. It turned into an anti-national horror by criminals, leftists, political power-mongers, conversion machinery and desert people, funded by international gangs to harm Hindu dharma and India. During this extremely unpleasant situation where evil showed its ugliest face, some leftists were heard remarking that they disliked India. For leftists to hate India is natural. This is because, a small percentage of Indian leftists are originally from Bangladesh. They entered India as refugees and enjoyed all the benefits of India. Refugees who grew up in free India work against the nation and dharma to show their gratitude. Their dislike for punya-bhumi, the holy land, is also understandable. A worm that thrives in dung will be miserable in milk or honey. There are desert people who constantly blame India while sucking all the benefits day and night. They will not go away even when pushed out. But this is not about such people. This is about those normal people who feel India is not good and wish they were elsewhere.</p>
<p>Everywhere there is positive and there is negative. Let&#8217;s highlight the positive aspects of India here.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-full wp-image-15714" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2026/08/india-e1786122166180.png" alt="" width="858" height="598" />There is a general tendency to dream of rushing to foreign lands. Good. Though H-1B or non-immigrant visa for special skilled workers is under threat, though  jobs are evaporating fast and there is stress everywhere, the younger generation still dream to be in &#8220;foreign&#8221;.  They think that it is all luxury and happiness outside. First of all, what movies show is a completely green-screen world, a different world. Facts are completely different.  Without opening their eyes to the tremendous developments India is making, without seeing the plenty, the opportunity, the prosperity, the ease of life and so on in India, many dream that they will be happy elsewhere. Showrooms are not factories. In plain language, they are fooling themselves. India is the future.</p>
<p>Beginning with light, heat and energy, everything outside is expensive including water.  Energy is a constant crisis, but you have to use energy in order to survive the extreme temperatures. You don&#8217;t get cheap energy, easy and inexpensive medical help, cheap medicines, food, etc as it is in India. House rent sucks much of the income. You don&#8217;t get free rations, food etc elsewhere as you get in India.  You can&#8217;t imagine of hospitality as it is in India. In India, they sell mountains of vegetables and fruit for throw-away price. You can&#8217;t imagine such things elsewhere. Despite the terrible population burden and the huge burden of illegal-immigrants, India is producing enormous quantity of food. You have to live in cold and rain and snow for at least six months if not more. For six months, nothing  grows naturally. To buy fruit and vegetables you must generally go to supermarkets, which are expensive.  Street bazars are expensive, if at all there are any.  Medical aid, dentist-help etc are not at all easy, not at all inexpensive. Repair works at home? Household help? It is not India. So there are challenges. People are very good, people are helpful, people are cooperative. But they also are struggling. Elderly have nobody to help them, what help can they give to you?</p>
<p>The most wonderful national song of India has this statement about Mother India: sasya-shyamalam mataram. Mother is filled with natural food and greenery. Her air is filled with positive energy born of tremendous austerities of millions of devotees, monks, nuns, mendicants and rishis. Though wave after wave of evil has entered India to subjugate Hindus, destroy the positive energy, destroy dharma and so on, the undercurrent can never be harmed. Culture, music, art, festivities, color, in everything there is life.  Spirituality is the undercurrent. The sacred rivers are the blood of the nation flowing through Her arteries, bringing health, wealth and happiness. This, in short, is India.</p>
<p>May Sri Ramakrishna, Mother and Swamiji bless us all with a blessed future.</p>
<p>Swami Sunirmalananda</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-full wp-image-14574" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2025/08/IMG-20250411-WA0082-e1753794030639.jpg" alt="" width="1500" height="640" /></p>
<p>Nederlandse Vertaling</p>
<p>Onlangs was India getuige van onrust. Een onrust veroorzaakt door studenten, maar niet door studenten. Het ontaardde in een anti-nationale terreurdaad, gepleegd door criminelen, linkse activisten, politieke machtswellustelingen, bekeringsgezinde groepen en woestijnbewoners, gefinancierd door internationale bendes, met als doel de hindoeïstische dharma en India te schaden. Tijdens deze uiterst onaangename situatie, waarin het kwaad zijn lelijkste gezicht liet zien, lieten sommige linkse activisten merken dat ze een hekel hadden aan India. Dat linkse activisten India haten is begrijpelijk. Een klein percentage van de Indiase linkse activisten is immers afkomstig uit Bangladesh. Zij kwamen als vluchtelingen naar India en profiteerden van alle voordelen die India bood. Vluchtelingen die opgroeiden in een vrij India werken tegen de natie en de dharma om hun dankbaarheid te tonen. Hun afkeer van Punya Bhumi, het heilige land, is ook begrijpelijk. Een worm die gedijt in mest, zal zich ellendig voelen in melk of honing. Er zijn woestijnbewoners die India voortdurend de schuld geven, terwijl ze dag en nacht profiteren van alle voordelen. Ze zullen niet weggaan, zelfs niet als ze worden verdreven. Maar dit gaat niet over zulke mensen. Dit gaat over gewone mensen die vinden dat India niet goed is en liever ergens anders zouden zijn.</p>
<p>Er bestaat een algemene neiging om te dromen van een snelle verhuizing naar het buitenland. Goed zo. Hoewel het H-1B-visum, oftewel het niet-immigrantenvisum voor hoogopgeleide werknemers, onder druk staat, banen snel verdwijnen en er overal stress heerst, droomt de jongere generatie er nog steeds van om in het buitenland te zijn. Ze denken dat het daar alleen maar luxe en geluk is. Ten eerste is wat films laten zien een volledig geënsceneerde wereld, een andere wereld. De werkelijkheid is heel anders. Zonder de enorme ontwikkelingen in India te zien, zonder de overvloed, de kansen, de welvaart, het levensgemak en dergelijke in India te ervaren, dromen velen ervan dat ze elders gelukkig zullen zijn. Showrooms zijn geen fabrieken. Simpel gezegd, ze houden zichzelf voor de gek. India is de toekomst.</p>
<p>Overal is er positief en negatief. Laten we hier de positieve aspecten van India belichten.</p>
<p>Te beginnen met licht, warmte en energie: alles is daarbuiten duur, inclusief water. Energie is een constant probleem, maar je hebt energie nodig om de extreme temperaturen te overleven. Je krijgt geen goedkope energie, makkelijke en betaalbare medische hulp, goedkope medicijnen, goedkoop voedsel, enzovoort, zoals in India. Huurkosten slokken een groot deel van het inkomen op. Je krijgt nergens anders gratis voedsel, rantsoenen, etc. zoals in India. Je kunt je de gastvrijheid in India niet voorstellen. In India verkopen ze bergen groenten en fruit voor een prikkie. Zoiets zie je nergens anders. Ondanks de enorme bevolkingsdruk en de grote toestroom van illegale immigranten, produceert India enorme hoeveelheden voedsel. Je moet minstens zes maanden per jaar, zo niet langer, in de kou, regen en sneeuw leven. Gedurende die zes maanden groeit er niets vanzelf. Om groenten en fruit te kopen, moet je meestal naar de supermarkt, die duur is. Straatmarkten zijn duur, als ze er al zijn. Medische hulp, tandartsbezoek, etc. zijn helemaal niet makkelijk en helemaal niet goedkoop. Reparaties aan huis? Huishoudelijke hulp? Dat is niet India. Dus er zijn uitdagingen. Mensen zijn goed, behulpzaam en coöperatief. Maar ze hebben het ook moeilijk. Ouderen hebben niemand die hen helpt, welke hulp kunnen zij jou dan bieden?</p>
<p>Het mooiste volkslied van India bevat deze uitspraak over Moeder India: sasya-shyamalam mataram. Moeder is vol met natuurlijk voedsel en groen. Haar atmosfeer is doordrenkt met positieve energie, voortkomend uit de immense ascese van miljoenen toegewijden, monniken, nonnen, bedelaars en rishi&#8217;s. Hoewel golf na golf van kwaad India is binnengedrongen om hindoes te onderwerpen, de positieve energie te vernietigen, de dharma te ondermijnen, enzovoort, kan de onderstroom nooit worden aangetast. Cultuur, muziek, kunst, feesten, kleur, in alles is leven. Spiritualiteit is de onderstroom. De heilige rivieren zijn het bloed van de natie dat door haar aderen stroomt en gezondheid, welvaart en geluk brengt. Dit is, in het kort, India.</p>
<p>Moge Sri Ramakrishna, Moeder en Swamiji ons allen zegenen met een gezegende toekomst.</p>
<p>Swami Sunirmalananda</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Have Faith</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/08/have-faith/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 05 Aug 2026 12:00:09 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Dutch]]></category>
		<category><![CDATA[English]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15688</guid>

					<description><![CDATA[Faith and its power, by Swami Paramananda]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>&nbsp;</p>
<h2 style="text-align: center;">Have Faith</h2>
<p style="text-align: center;">Swami Paramananda</p>
<p>A simple, trustful attitude of faith and devotion will always bring a feeling of the nearness of the Divine. When we begin to analyse and calculate, God seems to go away from us. Why is this? If He is so near as we are gold, if He is our innermost being, the Soul of our soul, the Life of our life, how can He ever go far away? He does not. It is our attitude of mind which creates that impression. We hold Him aloof from us by our own attitude. Sri Ramakrishna used to say that a man realises the supreme through simple faith, but as soon as he begins to argue God seems to run away. It is because he is trying to realise Him by the wrong method. When we depend wholly upon our own inferior faculties, we are unable to fathom the fathomless and we are filled with doubts and despair. But when with utter humility, simplicity and surrender we seek Him, very soon we begin to feel His protection and guidance. Let us look up to the supreme Divine Being with child-like faith, simplicity and openness of heart. He is ever near us. He is within us. He knows our thoughts, our feelings, our needs; and He will grant us what is needful for us. All things are possible unto the Supreme. At times we may feel depression and a sense of inability, but unto Him nothing is impossible. If we can fasten our hearts to Him with steadfast devotion and faith, then through His grace all our imperfections will be removed.</p>
<p>Let us pray that our life may become more and more worthy, that He may surround us with His tender blessing and ever lead us by His protecting hand.</p>
<p style="text-align: right;">Swami Paramananda</p>
<p>_____________________________</p>
<h2 style="text-align: center;">Geloof</h2>
<p>Een eenvoudige, vertrouwenwekkende houding van geloof en toewijding brengt altijd een gevoel van de nabijheid van het Goddelijke met zich mee. Wanneer we beginnen te analyseren en te berekenen, lijkt God zich van ons te verwijderen. Hoe kan dat? Als Hij zo dichtbij is als wij goud zijn, als Hij ons innerlijk is, de Ziel van onze ziel, het Leven van ons leven, hoe kan Hij dan ooit ver weg gaan? Dat doet Hij niet. Het is onze gemoedstoestand die die indruk wekt. We houden Hem op afstand door onze eigen houding. Sri Ramakrishna zei dat een mens het Allerhoogste beseft door eenvoudig geloof, maar zodra hij begint te redeneren, lijkt God weg te rennen. Dat komt omdat hij Hem probeert te beseffen met de verkeerde methode. Wanneer we volledig afhankelijk zijn van onze eigen beperkte vermogens, zijn we niet in staat het ondoorgrondelijke te doorgronden en worden we overspoeld door twijfel en wanhoop. Maar wanneer we Hem met volkomen nederigheid, eenvoud en overgave zoeken, beginnen we al snel Zijn bescherming en leiding te voelen. Laten we opzien naar het Allerhoogste Goddelijke Wezen met kinderlijk geloof, eenvoud en een open hart. Hij is altijd dichtbij ons. Hij is in ons. Hij kent onze gedachten, onze gevoelens, onze behoeften; en Hij zal ons geven wat we nodig hebben. Alles is mogelijk voor de Allerhoogste. Soms voelen we ons neerslachtig en machteloos, maar voor Hem is niets onmogelijk. Als we ons hart met standvastige toewijding en geloof aan Hem kunnen verbinden, zullen door Zijn genade al onze tekortkomingen worden weggenomen.</p>
<p>Laten we bidden dat ons leven steeds waardiger mag worden, dat Hij ons mag omringen met Zijn tedere zegen en ons altijd mag leiden met Zijn beschermende hand.</p>
<p style="text-align: right;">Swami Paramananda</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Editorial</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/07/editorial-13/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 02 Jul 2026 08:00:57 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Archive]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15597</guid>

					<description><![CDATA[Editorial &#8220;If you don&#8217;t permit me to stay there as guest, I shall destroy you.&#8221; A crook, posing as a holy man, enjoyed hospitality in different religious places for free.  Once this crook wanted to go to a distant land and stay at a place. He had heard about that place and wanted hospitality from...]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p><em><strong>Editorial</strong></em></p>
<h4>&#8220;If you don&#8217;t permit me to stay there as guest, I shall destroy you.&#8221;</h4>
<p>A crook, posing as a holy man, enjoyed hospitality in different religious places for free.  Once this crook wanted to go to a distant land and stay at a place. He had heard about that place and wanted hospitality from the spiritual place. The local leaders said they could not entertain guests now as they were in difficult times.  This crook-holy man was furious.  &#8220;Rejecting me? How dare you! Do you know the consequence of rejecting me? I have very high connections. If you don&#8217;t allow me to stay there, I shall see that you are destroyed. You may be far away. What of that. I shall spread such fire against you that you shall be ruined.&#8221;  Evil appears to have power indeed. Otherwise, how is it that the world is on fire always? Evil people, posing as religious souls are looting, killing, destroying the honor of women, causing mass destruction&#8211;all in the name of religion.  According to them, their religion teaches them to destroy anyone who does not obey them. So they are free to destroy and harm others in whatever way they can. This is happening right in front of all of you, day and night.</p>
<p>When Swami Vivekananda was in the United States, all rats and snakes, who enjoyed religious status and earned millions, became uncomfortable. They realised that the awakened American would discard them and go for this blazing Sun, who enlightens the whole universe. So Swami Vivekananda had to endure tremendous suffering caused by crooks posing as religious people. Some of them would go from door to door to spread calumny. But what of that?  The blazing fire of knowledge, absolute purity and renunciation that Swamiji was, burnt all dirt and dust in no time.  The hissings of venomous snakes and noises of rats were subdued by the purity of the Divine Mahayogi in human form.</p>
<p>All of us become worried about the increasing evil. Sometimes we feel we are helpless before it. Two important things should be done: 1. Don&#8217;t add fuel to the fire of evil. 2. Have faith in Goodness. We should not give weapons to evil by doubting goodness, purity and divine power. We should have the faith that if evil appears to succeed, that does not mean goodness will not. Three things make every person great, every nation great, declared Swami Vivekananda: faith in the power of goodness is the first. Whether &#8220;religious people&#8221; following their books cause evil, whether self-centered people cause destruction, the fundamental point to note is that they are very weak. Weak mentally, weak in character and weak in mind. They resort to falsehood, tricks, cunning and evil due to this so that they may gain power, wealth and prosperity.</p>
<p>However, goodness rules the world. The so-called crook posing as holy man with whom we began our story, the so-called religious people who are trying to destroy the world, the so-called religious people who tried to harm Swami Vivekananda, are  all destroying themselves systematically. This world is ruled by the eternal law called Rta. [Rtam satyam parabrahma] Rta and Satya are the foundational structures of the universe. If the world was otherwise, evil would have used falsehood, criminality, etc and ruled the world. Just as the invincible Ravana became dust, evil will be dust and goodness will trumph always. Whether evil comes posing as holy men, religions or science&#8211;they will be dust soon.</p>
<p>Let us have faith in Goodness and move forward, improving ourselves every day through selfless service, prayer, surrender to the Will of God.</p>
<p>So let us work, pray, do charity selflessly, and build up our future.</p>
<p>May Sri Ramakrishna, Mother and Swamiji bless us all with a blessed future.</p>
<p>Swami Sunirmalananda</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-full wp-image-14574" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2025/08/IMG-20250411-WA0082-e1753794030639.jpg" alt="" width="1500" height="640" /></p>
<p>Nederlandse Vertaling</p>
<h4>&#8220;Als je me niet toestaat daar als gast te verblijven, zal ik je vernietigen.&#8221;</h4>
<p>Een oplichter, die zich voordeed als een heilige man, genoot gratis van gastvrijheid in verschillende religieuze plaatsen. Op een dag wilde deze oplichter naar een ver land reizen en daar verblijven. Hij had over die plek gehoord en wilde er gastvrijheid ontvangen. De lokale leiders zeiden echter dat ze op dat moment geen gasten konden ontvangen, omdat ze in moeilijke tijden verkeerden. Deze oplichter-heilige man was woedend. &#8220;Mij afwijzen? Hoe durven jullie! Weten jullie wel wat de gevolgen zijn van het afwijzen van mij? Ik heb zeer hoge connecties. Als jullie me daar niet laten verblijven, zal ik ervoor zorgen dat jullie ten onder gaan. Jullie mogen dan ver weg zijn, maar wat maakt dat uit? Ik zal zo&#8217;n vuur over jullie verspreiden dat jullie geruïneerd zullen worden.&#8221; Het kwaad blijkt inderdaad macht te hebben. Hoe kan het anders dat de wereld altijd in brand staat? Kwaadaardige mensen, die zich voordoen als religieuze zielen, plunderen, moorden, schenden de eer van vrouwen en veroorzaken massavernietiging – allemaal in naam van de religie. Volgens hen leert hun religie hen om iedereen te vernietigen die hen niet gehoorzaamt. Ze kunnen dus ongestraft anderen op elke mogelijke manier vernietigen en schade berokkenen. Dit gebeurt recht voor jullie ogen, dag en nacht.</p>
<p>Toen Swami Vivekananda in de Verenigde Staten was, voelden alle ratten en slangen, die religieuze status genoten en miljoenen verdienden, zich ongemakkelijk. Ze beseften dat de ontwaakte Amerikaan hen zou verstoten en voor deze stralende Zon zou kiezen, die het hele universum verlicht. Swami Vivekananda moest dus enorm lijden door toedoen van oplichters die zich voordeden als religieuzen. Sommigen van hen gingen van deur tot deur om laster te verspreiden. Maar wat dan nog? Het laaiende vuur van kennis, absolute zuiverheid en onthechting dat Swamiji belichaamde, verbrandde in een oogwenk alle vuil en stof. Het gesis van giftige slangen en het gekrijs van ratten werden overstemd door de zuiverheid van de Goddelijke Mahayogi in menselijke gedaante.</p>
<p>We maken ons allemaal zorgen over het toenemende kwaad. Soms voelen we ons machteloos. Twee belangrijke dingen moeten we doen: 1. Gooi geen olie op het vuur van het kwaad. 2. Heb vertrouwen in het Goede. We mogen het kwaad geen wapens in handen geven door te twijfelen aan het goede, de zuiverheid en de goddelijke kracht. We moeten erop vertrouwen dat als het kwaad lijkt te zegevieren, dat niet betekent dat het goede niet zal zegevieren. Drie dingen maken ieder mens groot, ieder volk groot, verklaarde Swami Vivekananda: geloof in de kracht van het goede is de eerste. Of &#8220;religieuze mensen&#8221; die hun boeken volgen nu kwaad doen, of egocentrische mensen vernietiging veroorzaken, het fundamentele punt is dat ze erg zwak zijn. Zwak van geest, zwak van karakter en zwak van verstand. Daarom nemen ze hun toevlucht tot leugens, bedrog, list en kwaad om macht, rijkdom en voorspoed te verkrijgen.</p>
<p>Het goede regeert echter de wereld. De zogenaamde boef die zich voordoet als heilige man, waarmee ons verhaal begon, de zogenaamde religieuze mensen die de wereld proberen te vernietigen, de zogenaamde religieuze mensen die Swami Vivekananda probeerden te schaden, vernietigen zichzelf systematisch. Deze wereld wordt geregeerd door de eeuwige wet genaamd Rta. [Rtam satyam parabrahma] Rta en Satya zijn de fundamentele structuren van het universum. Als de wereld anders was, zou het kwaad leugens, criminaliteit, enzovoort hebben gebruikt om de wereld te regeren. Net zoals de onoverwinnelijke Ravana tot stof verging, zal het kwaad tot stof vergaan en zal het goede altijd zegevieren. Of het kwaad zich nu voordoet als heilige mannen, religies of wetenschap – het zal spoedig tot stof vergaan.</p>
<p>Laten we vertrouwen hebben in het goede en vooruitgaan, onszelf elke dag verbeteren door onbaatzuchtige dienstbaarheid, gebed en overgave aan de wil van God.</p>
<p>Laten we dus werken, bidden, onbaatzuchtig liefdadigheid bedrijven en onze toekomst opbouwen.</p>
<p>Moge Sri Ramakrishna, Moeder en Swamiji ons allen zegenen met een gezegende toekomst.</p>
<p>Swami Sunirmalananda</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Gratitude</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/07/a-poem/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 02 Jul 2026 08:00:50 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Archive]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15596</guid>

					<description><![CDATA[An end of life with goodwill and gratitude {Concluding Part} Kees Boukema The Jewish historian Flavius ​​Josephus (37-100) was the first writer to mention the appearance of Jesus on earth. In his chronicle “The Ancient History of the Jews,” he wrote: “At that time lived Jesus, a wise man, insofar as it is permissible to...]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="text-align: center;">An end of life with goodwill and gratitude</h2>
<p style="text-align: center;">{Concluding Part}</p>
<p style="text-align: center;"><strong>Kees Boukema</strong></p>
<p>The Jewish historian Flavius ​​Josephus (37-100) was the first writer to mention the appearance of Jesus on earth. In his chronicle “The Ancient History of the Jews,” he wrote: “At that time lived Jesus, a wise man, insofar as it is permissible to call him a man. For he performed deeds that were considered impossible and he was a teacher of people who gladly received the truth [&#8230;] Pilate had imposed upon him the punishment of the cross [..]. The divine prophets had spoken of these things and countless other wondrous things about him. To this day, the group of Christians named after him has not disappeared.” (See Fik Meijer, ‘Jezus en de vijfde evangelist’. Amsterdam, 2015, p. 158).</p>
<p>Based on this fragment, most historians assume that Jesus indeed existed and that he was crucified during the reign of the Roman procurator Pontius Pilate. For further details regarding the life and teachings of Jesus, we can turn to the four Biblical evangelists. They did not write accounts of historical events, but translated oral testimonies of believers, passed down in Aramaic, into Greek. This translation sometimes led, unintentionally, to a shift in meaning. For instance, the expression ‘son of god’ is used figuratively in Aramaic for a ‘child of god’, but in Greek, with its pantheon of gods and demigods, it is taken literally as “Son of God.” Thus: Someone with the same nature as God. (See Geza Vermes, ‘Ieder zijn eigen Jezus’, Baarn, 2002, p. 11).</p>
<p>The oldest Gospel is by Mark, written forty years after the death of Jesus. His story begins with the appearance of John the Baptist, a cousin of Jesus. Flavius ​​Josephus called him a charismatic preacher who mobilized large crowds and called for ‘repentance’. Mark viewed John the Baptist as a forerunner and trailblazer for Jesus. He writes that Jesus left Galilee and went to the Jordan to be baptized by John. At the moment of the baptism, the heavens opened and the Spirit descended upon Jesus like a dove. A voice came from heaven saying: “You are my beloved Son, in you I am well pleased.” [Mark 1:9-13]. Thereupon the ‘Spirit’ drove Jesus into the desert, where, in preparation for his mission, he would be tested by Satan for forty days of strict asceticism.</p>
<p>In the years that followed, Jesus gathered disciples around him, both men and women. He preached the coming of the ‘Kingdom of God’ and he healed the sick; the blind received sight, the lame walked, lepers were cleansed, the deaf heard, the dead were raised to life, and the gospel was preached to the poor [Matthew 11:5]. Jesus found a receptive audience among ordinary citizens, but also among people from affluent circles. In Jericho, a rich young man knelt before him and asked: “What must I do to inherit eternal life?” Jesus answered: “Keep all God’s commandments and love your neighbor.” The young man declared that he had always done this since his youth. Then Jesus said: “One thing still lacks you: Sell all your possessions and distribute the proceeds among the poor. Then come back and follow me.” The young man went home visibly distressed, for he was very rich. Then Jesus said to his disciples: “It is easier for a camel to go through the eye of a needle than for a rich man to enter the Kingdom of God.” [Mark 10:17ff].</p>
<p>Jesus traveled through the land, but visited exclusively places with Jewish inhabitants. His message was intended for “the lost sheep of Israel,” not for ‘Gentiles’. Only in very rare exceptions did he deviate from this (Mark 7:24ff). Jesus soon aroused resistance. The Roman authorities saw him as a danger to public order, and the scholars of the Torah saw Jesus as a threat to traditional religious practice. The fact that Jesus not only healed the sick but sometimes also forgave their ‘sins’ in the process branded him a ‘blasphemer’; for: ‘Only God can forgive sins’. Consequently, a counter-movement arose among people who would prefer to get rid of Jesus (Mark 3:6).</p>
<p>His message, that the ‘Kingdom of God’ was imminent, was considered a potential threat by the rulers in Jerusalem. That threat became concrete when Jesus rode into Jerusalem in a procession arranged by himself. Seated on a donkey foal, he was cheered by his followers. They had spread palm branches and cloaks over the road and cried out: “Hosanna! Blessed is he who comes and blessed is the coming kingdom of our father David. Hosanna in heaven!” This happened during the ‘Passover’; the feast commemorating the liberation of the enslaved Jews in Egypt!</p>
<p>Shortly thereafter, Jesus proceeded to perform a spiritual cleansing of the temple. He began to overturn stalls from afar buyers of sacrificial animals and of money changers who stood in the courtyard. This provocation could not remain unanswered. When he went to an olive grove one evening to pray, the temple police rushed out to take him into custody. Jesus, who had already often spoken to his disciples about his coming suffering and death, made no attempt to flee. On the contrary, he said to them: “The moment has come when the Son of Man is handed over to sinners. Get up, let us go. Look, he who betrays me is already close by.” Jesus was arrested and all his disciples fled. With one exception: “A young man, who was wearing only a linen garment, tried to stay near Jesus, but when he too was seized, he left the garment in their hands and fled away naked.” (Mark 14: 37-52; see Charles Vergeer, De Nameloze, p. 237 ff.)</p>
<p>Jesus was immediately brought before Caiaphas, the presiding high priest of the Sanhedrin, the Jewish court. The main charge: According to witnesses, Jesus had said, ‘that he could tear down the temple built by human hands and in three days build another temple, not made by human hands.’ Jesus makes no attempt to deny or refute this statement. To the question: “Are you the Messiah, the Son of God?”, he answered: “You say so.” (Matt. 26: 61). That was sufficient proof of blasphemy; he was guilty of death.</p>
<p>The Sanhedrin could pronounce a death sentence, but was not allowed to carry it out itself. Permission from the Romans was required for that. Jesus’ declaration that he was the King of the Jews and that the Kingdom of God was at hand would constitute a request to could support execution, for that pointed to ‘incitement to rebellion against Roman authority’ [Meijer, p. 266].</p>
<p>Jesus was taken to the palace of the Roman procurator, Pontius Pilate. Here, too, Jesus makes no effort whatsoever to deny or refute the accusation. On the contrary. To Pilate’s question: “Are you the King of the Jews?” he answered: “You say so.”<br />
What Mark then writes about what supposedly took place after this confession is highly implausible. Historians have wondered what might have prompted Mark to portray the course of the trial in this way. After all, Pontius Pilate was an exceptionally brutal and cruel magistrate. All historians agree on that. He ordered executions on a large scale, often without a prior trial. Certainly after hearing the accusation brought against Jesus, he would have ordered a centurion to crucify him after a brief interrogation. In the Gospel of Mark, however, Pilate appears as a wavering and lenient judge who did not consider Jesus guilty and asks the accusers what he should do with Jesus. The incited crowd shouts “Crucify him!” and, when Pilate asks “What crime has he committed?”, shouts even louder: “Crucify him!” Pilate then allegedly handed Jesus over to be crucified “to satisfy the crowd” (Mark 15:1 ff.).<br />
It is certain that Mark was not an eyewitness to the trial of Jesus. He wrote his Gospel in Rome around the year 70 and based it on what the apostles Peter and Paul had told him about Jesus. Mark had been an interpreter for Peter and a traveling companion of the apostle Paul. His Gospel was primarily intended to encourage the Gentile Christians in Rome. They were being persecuted, and Mark clearly tried to describe the course of events during the Jesus trial in such a way that the Christians in Rome would have as few problems as possible with the Roman authorities. Paul, too, had never met Jesus, but had seen him in a vision and received a commission from him to preach the gospel to all people, including non-Jews. As a traveling missionary in the Roman Empire, Paul was therefore very keen to minimize the role of the Roman authorities in the crucifixion of Jesus and to hold the Jewish priests responsible for his death [See Meijer p. 270]. This also explains the remarkable exclamation that Mark puts into the mouth of the Roman centurion who was charged with the crucifixion of Jesus. When he saw Jesus dying, he is said to have cried out: “Truly, this man was the Son of God.” Mark thereby led his readers to believe that the first person who had recognized the true nature of Jesus was a Roman.</p>
<p>After the death of Jesus, Joseph of Arimathea, a prominent counselor who ‘himself also expected the kingdom of God’, requested and obtained permission from Pontius Pilate to bury the body of Jesus. Joseph wrapped the body in linen, laid him in the cave of a mountain, and rolled a heavy stone in front of the entrance.</p>
<p>On the first day of the week that followed, three female disciples of Jesus went to the tomb to anoint him. When they arrived at the tomb, they found that the heavy stone in front of the tomb had been rolled away. To their great shock, they saw a young man dressed in dazzling white sitting on the right side of the empty tomb. He said to them: “Do not be afraid. You are looking for Jesus, the man from Nazareth who was crucified. He has been raised from the dead; he is not here. Go back and tell his disciples and Peter: ‘He is going ahead of you to Galilee; there you will see him, just as he told you.’ They went out and fled from the tomb, for they were seized with fear and terror. They were so frightened that they told no one anything.” [Mark 16:1-8; see Charles Vergeer. *Een Nameloze* p. 239 and 301).<br />
With this, Mark concluded his Gospel. Verses 9 to 20 concerning the appearance of Jesus to his disciples were added to the Gospel a century later.</p>
<h6><strong><img decoding="async" loading="lazy" class="alignleft" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2023/12/Boukema.jpg" width="126" height="168" /></strong></h6>
<h6></h6>
<h6><strong>Mr Kees Boukema</strong> is a scholar in Vedanta and Comparative philosophy. His brilliant and thorough-going articles on various philosophical and spiritual subjects are being published since the first issue of the magazine. His latest work is <em>De Beoefening van Meditatie.</em></h6>
<p>&nbsp;</p>
<h2></h2>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-full wp-image-14574" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2025/08/IMG-20250411-WA0082-e1753794030639.jpg" alt="" width="1500" height="640" /></p>
<p><span style="font-weight: 400;">  </span></p>
<h2 style="text-align: center;"><span style="font-weight: 400;">Een levenseinde met wil en dank</span></h2>
<p style="text-align: center;"><em>{Afsluitend Deel}</em></p>
<p style="text-align: center;"><strong>Kees Boukema</strong></p>
<p><span style="font-weight: 400;">  De Joodse historicus </span><i><span style="font-weight: 400;">Flavius Josephus </span></i><span style="font-weight: 400;">(37-100) was de eerste schrijver die melding maakte van de verschijning van Jezus op aarde. In zijn kroniek “</span><i><span style="font-weight: 400;">De Oude Geschiedenis van de </span></i><span style="font-weight: 400;">Joden” schreef hij:</span><i><span style="font-weight: 400;">“In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is om hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen [&#8230;] Pilatus had hem de straf van het kruis opgelegd [..]. De goddelijke profeten hadden die dingen en ontelbare andere wonderlijke dingen over hem gezegd. Tot op de dag van vandaag is de naar hem genoemde groep van de christenen niet verdwenen.”</span></i><span style="font-weight: 400;"> (Zie</span><i><span style="font-weight: 400;"> Fik Meijer</span></i><span style="font-weight: 400;">, ‘Jezus en de vijfde evangelist’. Amsterdam, 2015, p. 158). </span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Op grond van dit fragment nemen de meeste historici aan dat Jezus inderdaad heeft bestaan en dat hij tijdens het bewind van de Romeinse procurator Pontius Pilatus is gekruisigd. Voor nadere gegevens omtrent het leven en de leer van Jezus kunnen we terecht bij de vier Bijbelse evangelisten</span><i><span style="font-weight: 400;">.</span></i><span style="font-weight: 400;"> Zij schreven geen verslag van historische gebeurtenissen, maar vertaalden mondelinge getuigenissen van gelovigen, die in het Aramees waren doorgegeven, in het Grieks. Die vertaalslag leidde soms, onbedoeld, tot een verschuiving van betekenis. Zo wordt de uitdrukking ‘zoon van god’ in het Aramees figuurlijk gebruikt voor een ‘kind van god’, maar wordt in het Grieks, met zijn pantheon van goden en half-goden, letterlijk opgevat als “Zoon van God” Dus: Iemand met dezelfde natuur als God. (Zie </span><i><span style="font-weight: 400;">Geza Vermes,</span></i><span style="font-weight: 400;"> ‘Ieder zijn eigen Jezus’, Baarn, 2002, p. 11).  </span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Het oudste evangelie is van </span><i><span style="font-weight: 400;">Marcus, </span></i><span style="font-weight: 400;">geschreven veertig jaar na de dood van Jezus. Zijn verhaal begint met het optreden van Johannes de Doper, een neef van Jezus. Flavius Josephus noemde hem een charismatische prediker, die grote menigten op de been bracht en opriep tot ‘bekering’. Marcus zag Johannes de Doper als voorloper en wegbereider van Jezus. Hij schrijft, dat Jezus uit Galilea naar de Jordaan vertrok om zich door Johannes te laten dopen. Op het moment van de doop opende de hemel en daalde de Geest als een duif op Jezus neer. Er kwam een stem uit de hemel die zei: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.” [Marcus 1 :9-13]. Daarop dreef de ‘Geest’ Jezus de woestijn in, waar hij als voorbereiding op zijn missie, gedurende veertig dagen van strenge ascese door Satan op de proef zou worden gesteld.</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     In de jaren die volgden verzamelde Jezus discipelen om zich heen, zowel mannen als vrouwen. Hij predikte de komst van het</span><i><span style="font-weight: 400;"> ‘Koninkrijk van God’ </span></i><span style="font-weight: 400;">en hij genas zieken; blinden werden zienden, kreupelen wandelden, melaatsen werden gereinigd, doven hoorden, doden werden weer tot leven gewekt en aan de armen werd het evangelie verkondigd [Mattheus 11:5].  </span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Jezus vond gehoor bij eenvoudige burgers, maar ook bij mensen uit gegoede kringen. In Jericho knielde een rijke jongeman voor hem neer en vroeg :”Wat moet ik doen om het eeuwige leven te erven?” Jezus antwoordde: “Onderhoud al Gods geboden en heb uw naaste lief.” De jongeman verklaarde, dat hij zulks vanaf zijn jeugd altijd had gedaan. Daarop zei Jezus: “Eén ding ontbreekt u nog: Verkoop al uw bezit en verdeel de opbrengst onder de armen. Kom dan terug en volg mij.“ De jongeman ging zichtbaar aangeslagen naar huis, want hij was zeer rijk. Daarop zei Jezus tot zijn discipelen:”</span><i><span style="font-weight: 400;">Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan.” [</span></i><span style="font-weight: 400;">Markus 10: 17 e.v.].</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Jezus trok door het het land, maar bezocht uitsluitend plaatsen met J</span><i><span style="font-weight: 400;">oodse</span></i><span style="font-weight: 400;"> inwoners. Zijn boodschap was bestemd voor “de verloren schapen van Israël”, niet voor ‘heidenen’. Slechts bij hoge uitzondering week hij daarvan af (Marcus 7: 24 e.v.)  Jezus wekte al gauw weerstand op. De Romeinse overheid zag in hem een gevaar voor de openbare orde en de geleerden van de Thora zagen in Jezus een bedreiging voor de traditionele geloofsbeleving. Dat Jezus niet alleen zieken genas, maar daarbij soms ook hun ‘zonden’ vergaf bestempelde hem tot ‘godslasteraar’; want: ‘</span><i><span style="font-weight: 400;">Alleen God kan zonden vergeven’</span></i><span style="font-weight: 400;">. Er kwam dan ook een tegenbeweging op gang van mensen, die Jezus het liefst uit de weg zouden willen ruimen (Marcus 3:6).</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Zijn boodschap, dat het ‘Koninkrijk van God’ aanstaande was, gold voor de machthebbers in Jeruzalem als een potentiële bedreiging. Die bedreiging werd concreet toen Jezus in een, door hemzelf gearrangeerde optocht, Jeruzalem binnen reed. Gezeten op een ezelsveulen, werd hij toegejuicht door zijn volgelingen. Zij hadden palmtakken en mantels over de weg uitgespreid en riepen:”Hosanna! Gezegend is hij die komt en gezegend het komende koninkrijk van onze vader David. Hosanna in de hemel!” Dit gebeurde tijdens het ‘paasfeest’; het feest ter herdenking van de bevrijding van de tot slaaf gemaakte Joden in Egypte!</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Kort daarop ging Jezus over tot spirituele reiniging van de tempel. Hij begon kraampjes om te gooien van verkopers van offerdieren en van geldwisselaars die in de voorhof stonden. Deze provocatie kon niet onbeantwoord blijven. Toen hij op een avond naar een olijfgaard ging om te bidden, rukte de tempelpolitie uit om hem in hechtenis te nemen. Jezus, die tegenover zijn discipelen al vaak over zijn komend lijden en sterven had gesproken, deed geen poging om te vluchten. In tegendeel; hij zei tot hen: “Het ogenblik is gekomen, dat de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die mij uitlevert is al vlakbij.’’ Jezus werd gearresteerd en al zijn discipelen sloegen op de vlucht. Met één uitzondering: “Een jongeman, die alleen een linnen kleed aan had, probeerde bij Jezus in de buurt blijven, maar toen hij ook werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg.” (Marcus 14: 37-52; zie Charles Vergeer, De Nameloze, p. 237 e.v.} </span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Jezus werd direct voorgeleid aan Kajafas, de dienstdoende hogepriester van het Sanhedrin, het Joodse gerechtshof. De belangrijkste aanklacht: Volgens getuigen had Jezus gezegd, ‘dat hij de door mensenhanden gebouwde tempel kon afbreken en in drie dagen een andere tempel, niet door mensen gemaakt, kon opbouwen.’ Jezus doet geen poging deze uitspraak te ontkennen of te weerleggen. Op de vraag: ”Bent u de Messias, de Zoon van God?”, antwoordde hij: “U zegt het.” (Matt.26: 61). Dat was voldoende bewijs voor godslastering; hij was des doods schuldig. </span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Het Sanhedrin kon wel een doodvonnis uitspreken, maar mocht die niet zelf voltrekken. Daarvoor was toestemming van de Romeinen nodig. De verklaring van Jezus, dat hij de koning van de Joden was en dat het koninkrijk van God aanstaande was, zou een verzoek tot executie kunnen ondersteunen, want dat wees op ‘aanzetting tot opstand tegen het Romeinse gezag’ [Meijer, p. 266]. </span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Jezus werd overgebracht naar het paleis van de Romeinse procurator, Pontius Pilatus. Ook hier doet Jezus geen enkele moeite om de aanklacht te ontkennen of te weerleggen. Integendeel. Op de vraag van Pilatus: “Zijt gij de koning der Joden?” antwoordde hij: “Gij zegt het.”</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">    Wat Marcus dan schrijft over wat zich na deze bekentenis zou hebben afgespeeld is hoogst ongeloofwaardig. Historici vroegen zich af, wat Marcus bewogen kan hebben om het verloop van het proces zo weer te geven. Pontius Pilatus was namelijk een uitzonderlijk brute en wrede magistraat. Daar zijn alle historici het wel over eens. Hij liet op grote schaal executies uitvoeren, vaak zonder voorafgaand proces. Hij zal, zeker na het horen van de aanklacht die tegen Jezus werd ingebracht, na een korte ondervraging een centurion </span><i><span style="font-weight: 400;">opdracht</span></i><span style="font-weight: 400;"> gegeven hebben om hem te kruisigen. In het evangelie van Marcus figureert Pilatus echter als een weifelmoedige en toegeeflijke rechter, die Jezus niet schuldig achtte en aan de aanklagers vraagt wat hij met Jezus moet doen. De opgehitste massa schreeuwt “Kruisig hem!” en gaat, als Pilatus vraagt “Wat heeft hij dan misdaan?”, nog harder schreeuwen: ”Kruisig hem!”. Pilatus zou dan “om de menigte tevreden te stellen”, Jezus hebben </span><i><span style="font-weight: 400;">uitgeleverd</span></i><span style="font-weight: 400;"> om gekruisigd te worden (Marcus 15:: 1 e.v.)</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Het staat vast, dat Marcus geen ooggetuige is geweest bij het proces tegen Jezus. Hij schreef zijn evangelie in Rome rond het jaar 70 en had zich gebaseerd op hetgeen de apostelen Petrus en Paulus hem over Jezus hadden verteld. Marcus was tolk geweest voor Petrus en reisgenoot van de apostel Paulus. Zijn evangelie was in de eerste plaats bedoeld om de niet-joodse christenen in Rome een riem onder het hart te steken. Zij werden vervolgd en Marcus heeft duidelijk geprobeerd om de gang van zaken tijdens het Jezus-proces zo te beschrijven, dat de christenen in Rome zo min mogelijk problemen zouden krijgen met het Romeinse gezag.</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">    Ook Paulus had Jezus nooit ontmoet, maar had hem in een visioen gezien en van hem de opdracht gekregen om het evangelie aan alle mensen te verkondigen, ook aan niet-Joden</span><i><span style="font-weight: 400;">.</span></i><span style="font-weight: 400;"> Paulus was er als rondreizend missionaris in het Romeinse Rijk, daarom veel aan gelegen om de rol van het Romeinse gezag bij de kruisdood van Jezus te minimaliseren en de Joodse priesters verantwoordelijk te houden voor zijn dood [Zie Meijer p. 270]. Dit verklaart ook de opmerkelijke uitroep die Marcus in de mond legt van de Romeinse centurio die belast was met de kruisiging van Jezus. Toen hij Jezus zag sterven, zou hij uitgeroepen hebben: ”Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.” Marcus liet daarmee zijn lezers geloven, dat de eerste mens die de ware aard van Jezus had onderkend een Romein was.</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Na de dood van Jezus vroeg en verkreeg Jozef van Arimatea, een vooraanstaand raadsheer die ‘zelf ook het koninkrijk van God verwachtte’, toestemming van Pontius Pilatus om het lichaam van Jezus te begraven. Jozef wikkelde het stoffelijk overschot in linnen, legde hem in de grot van een berg en rolde een zware steen voor de ingang. </span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Op de eerste dag van de week die volgde gingen drie vrouwelijke discipelen van Jezus naar het graf om hem te balsemen. Bij het graf gekomen bleek dat de zware steen voor het graf was weggerold. Zij zagen aan de rechter zijde van het lege graf tot hun grote schrik een in stralend wit geklede jongeman zitten. Hij zei tot hen: “Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazareth die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier. Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd”. Zij gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken, dat ze tegen niemand iets zeiden.”  [Marcus 16: 1-8; zie </span><i><span style="font-weight: 400;">Charles Vergeer</span></i><span style="font-weight: 400;">. Een Nameloze’’ p. 239 en 301).</span></p>
<p><span style="font-weight: 400;">     Hiermee sloot Marcus zijn evangelie af. De verzen 9 tot 20 over de verschijning van Jezus aan zijn discipelen zijn een eeuw later aan het evangelie toegevoegd.</span></p>
<h6><img decoding="async" loading="lazy" class="wp-image-11908 alignleft" src="https://vedantavani.com/wp-content/uploads/2023/12/Boukema.jpg" alt="" width="114" height="152" /></h6>
<h6></h6>
<h6>Kees Boukema is sinds decennia student van Vedanta en andere filosofische systemen. Hij heeft divers bijgedragen aan het veld van hoger denken. Hij heeft belangrijke artikelen en boeken geschreven en vertaald. Het nieuwste boek van Dhr Kees Boukema is, <strong>De Beoefening van Meditatie.</strong></h6>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Nag Mahashaya</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/07/nag-mahashaya/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 02 Jul 2026 08:00:42 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Archive]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15595</guid>

					<description><![CDATA[The story of a yogi from an old Prabuddha Bharata issue...]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>&nbsp;</p>
<h2 style="text-align: center;">Nag Mahashaya&#8217;s Perception of Sri Ramakrishna</h2>
<p>One time, Nagmahashaya visited Sri Ramakrishna. This time he was alone. The Master, as on previous occasions, attained Bhava. He stood up from his seat and muttered something. Seeing him in that state, Nagmahashaya became terrified. Sri Ramakrishna then told him, &#8220;Well, you are a medical man. Please examine my legs and see what is there.&#8221; When Nagmahashaya heard him talking in a normal voice, he was greatly relieved. He touched his feet, examined them well and said that he found nothing there. Sri Ramakrishna again asked him to examine them more carefully. Now Nagmahashaya touched the Master&#8217;s feet with more enthusiasm and felt how the Guru removes the wants and difficulties of the disciple. A small act of charity on the part of the Guru makes a true disciple feel that as an extremely gracious act of love towards him. And what to speak of such a devotee as Nagmahashaya! His grief over the Master not allowing him to touch his feet on his first visit was now assuaged, and he considered himself blessed, now that he was given the privilege of doing so. Tears trickled down his cheeks and he placed those long desired feet on his head and heart. Blessed are the souls that know the relation between the Guru and the disciple, for they shall see God! About this time Nagmahashaya was convinced that Sri Ramakrishna was God-incarnate. Being questioned how he could know this, he said, &#8220;After my going to Sri Ramakrishna for a few days, I came to know through His Grace that Sri Ramakrishna was Narayana personified and He was having His Lila in secret at Dakshineswar.&#8221; He then remarked, &#8220;No one can realize Him unless blessed by Him. Even austere penances for a thousand years will be of no avail to realize Him, if He does not show mercy.&#8221;</p>
<p>Another day Nagmahashaya went to see Sri Ramakrishna at Dakshineswar. When he reached there, he saw the Master taking rest after his meal. It was the month of May and the day was very sultry. Sri Ramakrishna asked him to fan him and then went to sleep. Nagmahashaya fanned him long and his hands became tired but he could not stop without the Master&#8217;s permission. He consequently continued the task but his hands became very heavy and he could not hold the fan any longer. Just then Sri Ramakrishna caught hold of his hand and took the fan. Referring to this incident, Nagmahashaya said, &#8220;His sleep was not like that of ordinary persons. He could always remain awake. Excepting God, this state is not attainable for any aspirant or even a Siddha.&#8221;</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>_____________________________</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Op een keer bezocht Nagmahashaya Sri Ramakrishna. Deze keer was hij alleen. De Meester bereikte, net als bij eerdere gelegenheden, Bhava. Hij stond op van zijn zetel en mompelde iets. Toen Nagmahashaya hem in die toestand zag, werd hij doodsbang. Sri Ramakrishna zei toen tegen hem: &#8220;Welnu, u bent een arts. Onderzoek alstublieft mijn benen en kijk wat er aan de hand is.&#8221; Toen Nagmahashaya hem weer normaal hoorde spreken, was hij enorm opgelucht. Hij raakte zijn voeten aan, onderzocht ze grondig en zei dat hij niets kon vinden. Sri Ramakrishna vroeg hem opnieuw om ze zorgvuldiger te onderzoeken. Nu raakte Nagmahashaya de voeten van de Meester met meer enthousiasme aan en voelde hoe de Guru de behoeften en moeilijkheden van de discipel wegneemt. Een kleine daad van naastenliefde van de Guru zorgt ervoor dat een ware discipel het als een buitengewoon genadige daad van liefde jegens hem ervaart. En wat te denken van zo&#8217;n toegewijde als Nagmahashaya! Zijn verdriet over het feit dat de Meester hem bij zijn eerste bezoek niet toestond zijn voeten aan te raken, was nu verzacht en hij beschouwde zichzelf als gezegend, nu hij die eer wel had gekregen. Tranen stroomden over zijn wangen en hij legde die langverwachte voeten op zijn hoofd en hart. Gezegend zijn de zielen die de relatie tussen de Guru en de discipel kennen, want zij zullen God zien! Rond deze tijd raakte Nagmahashaya ervan overtuigd dat Sri Ramakrishna God in menselijke gedaante was. Toen hem werd gevraagd hoe hij dit kon weten, zei hij: &#8220;Nadat ik een paar dagen bij Sri Ramakrishna was geweest, kwam ik door Zijn genade te weten dat Sri Ramakrishna Narayana in menselijke gedaante was en dat Hij in het geheim Zijn Lila (goddelijke spel) speelde in Dakshineswar.&#8221; Hij merkte vervolgens op: &#8220;Niemand kan Hem realiseren tenzij Hij hem zegent. Zelfs duizend jaar strenge boetedoening zal niet baten om Hem te realiseren, als Hij geen genade toont.&#8221;</p>
<p>Op een andere dag ging Nagmahashaya Sri Ramakrishna in Dakshineswar bezoeken. Toen hij daar aankwam, zag hij de Meester rusten na zijn maaltijd. Het was mei en het was een erg zwoele dag. Sri Ramakrishna vroeg hem om hem te verkoelen met een waaier en ging toen slapen. Nagmahashaya verkoelde hem langdurig met de waaier en zijn handen werden moe, maar hij kon niet stoppen zonder toestemming van de Meester. Hij ging daarom door, maar zijn handen werden zo zwaar dat hij de waaier niet langer kon vasthouden. Juist op dat moment greep Sri Ramakrishna zijn hand en nam de waaier over. Verwijzend naar dit voorval zei Nagmahashaya: &#8220;Zijn slaap was niet zoals die van gewone mensen. Hij kon altijd wakker blijven. Behalve God is deze toestand voor geen enkele aspirant of zelfs een Siddha bereikbaar.&#8221;</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>From Bhagavata</title>
		<link>https://vedantavani.com/2026/07/from-bhagavata-2/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Vedantavani]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 02 Jul 2026 08:00:21 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Archive]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://vedantavani.com/?p=15599</guid>

					<description><![CDATA[Welcome to an inspiring selection of articles on religion and spirituality. All you have to do is scroll down and read one after another. ]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h3 style="text-align: left;"><em>Bhagavata vani</em></h3>
<p><center><center>नात: परं परम यद्भवत: स्वरूप-<br />
मानन्दमात्रमविकल्पमविद्धवर्च: ।<br />
पश्यामि विश्वसृजमेकमविश्वमात्मन्<br />
भूतेन्द्रियात्मकमदस्त उपाश्रितोऽस्मि ॥ </center><center><em>nātaḥ paraṁ parama yad bhavataḥ svarūpam<br />
ānanda-mātram avikalpam aviddha-varcaḥ<br />
paśyāmi viśva-sṛjam ekam aviśvam ātman<br />
bhūtendriyātmaka-madas ta upāśrito ’smi  3.9.3</em></center></center><center></center><center></center><center></center><center>Bhagavan, there is no greater form than yours of supreme bliss and knowledge. In Your impersonal Brahman effulgence in the spiritual sky, there is no occasional change and no deterioration of internal potency. I surrender unto You because whereas I am proud of my material body and senses, Your Lordship is the cause of the cosmic manifestation and yet You are untouched by matter.</center><center>____</center><center></center><center></center><center></center></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
