Het was op een zondag in het voorjaar van 1882, enkele dagen na Sri Ramakrishna’s verjaardag, dat M. hem voor de eerste keer ontmoette. Sri Ramakrishna woonde in de Kalibari, het tempelpark van Moeder Kali,  aan de oever van de Ganges te Dakshineswar. M. die zondags vrij was, had met zijn vriend Sidhu een bezoek gebracht aan verscheidene tuinen te Baranagore.  Terwijl zij in Prasanna Bannerji’s  tuin wandelden zie Sidhu: ‘ Er is een buitenplaats vol charme aan de oever van de Ganges , waar een  paramahamsa  leeft. Zou je zin hebben daar heen te gaan.?’ M. stemde toe en ze gingen meteen op weg naar het tempelpark van Dakshineswar.  Ze kwamen in de schemering bij de hoofdingang aan en gingen rechtstreeks naar de kamer van Sri Ramakrishna . En daar vonden zij hem, gezeten op een houten bed, met het gezicht naar het oosten. Met een glimlach op zijn gelaat sprak hij over God. De kamer was vol mensen, die allemaal op de grond zaten en zijn woorden in diepe stilte indronken.  M. keek sprakeloos toe. Het was alsof hij daar stond waar alle heilige plaatsen samenkwamen en alsof Sri Chaitanya  de namen en de glorie van de Heer met zijn volgelingen in Puri zong. Sri Ramakrishna zei: ‘Wanneer op het horen van maar eenmaal de naam van Hari of Rama, tranen bij je opwellen en je haar rechtop staat, dan kun je er zeker van zijn dat je niet meer zulke gebedsoefeningen als de sandhya hoeft uit te voeren. Alleen dan heb je het recht om rituelen op te geven, of beter gezegd, rituelen zullen vanzelf wegvallen. Dan zal het voldoende zijn als je enkel de naam van Rama of Hari herhaalt of zelfs ‘Om ‘ zonder meer.

M keek verwonderd om zich heen en zei tot zichzelf: “wat een mooie plek! Wat een charmante man! Hoe mooi zijn z’n woorden! Ik heb geen verlangen om hier weg te gaan. Na enkele minuten dacht hij: laat ik eerst het park beijiken; daarna zal ik hier terugkomen een gaan zitten.