Over Job, zijn familie en zijn vrienden

Kees Boukema

     Het bijbel-boek Job behoort, samen met Spreuken en Prediker, tot de zogeheten ‘wijsheidsliteratuur’. Het doel van deze boeken was om de lezer kennis en ‘moreel besef’ bij te brengen. In het boek Job gaat het vooral over de vraag naar de zin van het lijden en de rol van God daarbij. Die vraag wordt besproken aan de hand van de lotgevallen van Job, een rechtschapen en vroom man wonend in een denkbeeldig land, genaamd  Uz.

     Job wordt op één en dezelfde dag getroffen door onvoorstelbaar veel onheil: zijn vee wordt geroofd, de opstallen door de bliksem getroffen en zijn huis door een woestijnstorm verwoest. Zijn zonen en dochters komen daarbij om het leven.

     Wat was Jobs reactie op deze ellende? Job scheurde zijn kleren, schoor zijn hoofd kaal, wierp zich neer in het stof en zei:”Naakt ben ik geboren uit de schoot van mijn moeder en naakt zal ik daarheen wederkeren. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.”

     Toen Job bovendien over heel zijn lijf ook nog eens kwaadaardige zweren kreeg en te midden van stof en vuil zich met een potscherf begon te krabben, voegde zijn vrouw hem toe: “Blijf jij bij je vroomheid? Vervloek God en sterf!” Job antwoordde haar rustig: “Dwaze vrouw. Als we het goede van God aanvaarden, zouden we dan niet ook het kwade moeten aanvaarden?”

     Het nieuws van Jobs rampspoed bereikt ook zijn vrienden. Zij besluiten direct hem op te zoeken. Zeven dagen en zeven nachten blijven ze zwijgend bij hem zitten. Tot Job de stilte verbreekt en de dag van zijn geboorte begint te vervloeken. Volgens hem, is het leven niet waard geleefd te worden. Zijn vrienden houden hem echter voor, dat de ellende die hem is overkomen een straf moet zijn voor zijn zonden. 

     En dan ontspint zich een diepgravend, theologisch twistgesprek, dat dagenlang voortduurt en waarbij de gemoederen hoog oplopen. Job toont zich alsmaar opstandiger. Hij bezweert, dat hij een vroom man is en altijd onberispelijk heeft geleefd. Zijn vrienden nemen het op voor God en diens rechtvaardigheid: Het lijden van Job moet het gevolg zijn van diens zonden.

     Tot op de huidige dag zijn gelovigen geneigd om, als een gemeenschap door een epidemie wordt getroffen, direct verband te leggen met het ‘moreel verval’ in die gemeenschap. Misschien heeft Albert Camus om die reden in zijn roman ‘La Peste’ [1947] ook een plaats ingeruimd voor de jezuïet, pater Paneloux. 

     In de Noord-Afrikaanse stad Oran is de pest uitgebroken; de inwoners zijn in quarantaine. Het aantal doden stijgt explosief. Door de  kerkelijke autoriteiten is een collectieve gebedsweek georganiseerd; de kathedraal is overvol. Pater Paneloux beklimt de preekstoel en met een krachtige, ver dragende stem striemt hij de aanwezigen met één, staccato uitgesproken, zin: “Broeders, over u is onheil uitgebroken! En, broeders, dat is uw verdiende loon!” Paneloux toont met voorbeelden aan dat de pest als gesel Gods steeds weer de hoogmoedigen en verblinden treft. Hij voegt daar aan toe: “Overweeg dat in uw hart en kniel neer.” Camus schrijft: ‘Na een een korte aarzeling gleden enkele toehoorders van hun zitplaats op de knielbank en toen de pater zijn donderpreek voortzette volgden anderen hun voorbeeld, totdat langzaam maar zeker alle aanwezigen knielden.’

     In een aangrijpende beschrijving van het gruwelijk lijden van een achtjarig kind toont Camus vervolgens hoe zwaar óók onschuldigen door de epidemie worden getroffen. Pater Paneloux is als zielzorger aanwezig. “Hij kijkt naar het kermend, door ziekte bezoedelde kindermondje, laat zich op zijn knieën zakken en zegt met verstikte stem, maar duidelijk verstaanbaar: ‘Mijn God, red dit kind.’ Even later is het voorbij; het kind sterft.”

SWAMI RITAJANANDA

     Eens heb ik mijn leraar, Swami Ritajananda [senior monnik van de Ramakrishna Orde] gevraagd of volgens hem pijn en lijden, behalve een oorzaak, ook altijd een reden heeft. Hij zei, dat een vriend van hem diezelfde vraag had gesteld. Een Duitser, uit een Joodse familie; zijn ouders waren weggevoerd en in een concentratiekamp omgekomen. Hij zei;”Swami, ik kan niet in God geloven. Wat is de rechtvaardiging, wat is de reden? Waarom moet onschuldige mensen zoiets overkomen?” 

      “Als je deze vraag zou willen beantwoorden”, vervolgde de swami,” ga je regels aanleggen voor wat God moet doen en wat God niet moet doen. En daar bega je een grote vergissing. Als hij binnen het bereik van jouw denken kan worden gebracht, is Hij helemaal geen God. Maar ja, een antropomorfe benadering van God is nu eenmaal natuurlijker dan een metafysische.

     “Als we met dit soort problemen te maken krijgen is het, volgens mij, beter om te kijken of we het lijden dat er is kunnen verzachten en de pijn kunnen verlichten en dat we  God daarbij helemaal niet ter sprake moeten brengen. Dat lost niets op.”

     Tot de Ramakrishna organisatie in 1897 opgericht door Swami Vivekananda, behoort, zoals bekend, niet alleen de Ramakrishna Math, maar ook de  Ramakrishna Mission onder het motto : “Voor zelfrealisatie en het welzijn van de wereld.” De Mission houdt zich met name bezig met onderwijs, medische zorg en hulpverlening. 

     Vanuit eenzelfde gedachtegang heeft de maker van het hierbij afgebeelde schilderij de mythe van Job aangevuld met één personage: De dochter van Job. Terwijl Job vertwijfeld neerzit, probeert zij het lijden van haar vader te verlichten door de brandende zweren op zijn lichaam met koud water te begieten.

 


 

 

 

 

 

Dhr Kees Boukema

Kees Boukema is sinds decennia student van Vedanta en andere filosofische systemen. Hij heeft divers bijgedragen aan het veld van hoger denken. Hij heeft belangrijke artikelen en boeken geschreven en vertaald. Dhr Kees Boukema is de bijdragende redacteur van deze pagina.