[Scroll down for the English Translation]

  Spinoza en Vedanta

Kees Boukema

 

 

Sommige studenten van Vedanta zijn ook ook geïnteresseerd in de denkbeelden van de Nederlandse filosoof  Benedictus de Spinoza. Begrijpelijk: Er zijn opvallende overeenkomsten.

  1. Op donderdag 22 april 1886, de dag vóór goede vrijdag, wandelen Rakhal, Sashi en M., drie discipelen van Sri Ramakrishna, in de tuin van Cossipore waar hun Meester verpleegd wordt. Ze wisselen van gedachten over een paar van zijn uitspraken.

     Sashi: “Laatst beschreef hij voor Charu de verschillende geestelijke vermogens. Het verstand dat je tot God voert is het ware verstand, maar het verstand dat je in staat stelt om burgemeester of advocaat te worden, of om een huis te kopen is een beperkt verstand.”

     Sashi: “Kali vroeg aan de Meester: ‘Wat heeft het voor zin om plezier te hebben? Primitieve volken zijn altijd opgewonden aan het zingen en dansen.’”

     Rakhal: “ Hij [ de Meester] zei tegen Kali: ‘Wat bedoel je? Kan de Gelukzaligheid van Brahman hetzelfde zijn als wereldse genoegens? Gewone mensen zijn tevreden met wereldse genoegens. Men kan geen gelukzaligheid ervaren tenzij men zich geheel losmaakt van gehechtheid aan wereldse zaken. Er is enerzijds plezier in geld en zinnelijkheid en anderzijds de gelukzaligheid van de Godservaring. Kunnen die twee ooit hetzelfde zijn? De rishi’s verheugden zich in de Gelukzaligheid van Brahman.’”

 [‘The Gospel of Sri Ramakrishna’, Abridged Edition, p. 504]

  1. Spinoza

    In de nalatenschap van de in 1677 overleden filosoof Spinoza bevond zich een Latijns geschrift van zijn hand, dat handelde over ‘de verbetering van het verstand’. Het begint als volgt:“Nadat de ervaring mij had geleerd dat alles wat in het alledaagse leven veelvuldig voorvalt, ijdel en futiel is en nadat ik had begrepen dat alle dingen waarvoor ik bang was geen ander goed of kwaad bevatten dan dat mijn gemoed er door bewogen wordt, kwam ik tenslotte tot het besluit om te gaan onderzoeken of er iets is dat werkelijk goed én bereikbaar is en dat op zichzelf het gemoed zou kunnen vervullen. Met andere woorden: Of er iets bestaat waarvan ik, als ik het gevonden had en mij eigen had gemaakt, blijvend in hoogste vreugde zou kunnen genieten.”

     Spinoza besefte dat, als hij zou streven naar het hoogste goed, hij zich de voordelen van wat voor de meeste mensen het meest begerenswaard is, namelijk: roem, rijkdom en zingenot, zou moeten ontzeggen. Want, schrijft hij, “door deze drie zaken wordt de geest dermate in beslag genomen, dat een mens aan bijna niets anders meer kan denken.”

     De jeugdige Spinoza wist dit niet uit eigen ervaring. Hij had goed om zich heen gekeken en steeds vaker en duidelijker gezien, dat de zucht naar naam en faam, naar geld en genot schadelijk was voor mensen en vaak oorzaak van hun ondergang. Dat gold niet alleen voor hen die deze zaken najagen, maar ook voor hen die ze bezitten, omdat ze slechts tijdelijk bevrediging geven, verloren gaan of afgepakt worden. 

     Spinoza gaf de lezer ook een aantal praktische leefregels mee:

  1. Laten we bij ons spreken en in ons gedrag rekening houden met het bevattingsvermogen van de mensen om ons heen, zodat we niet belemmerd worden in het bereiken van ons doel.
  2. Laten we de aangename dingen van het leven gebruiken en genieten voor zover nodig is voor het behoud van gezondheid.
  3. Laten we niet meer geld en spullen verwerven dan nodig is om in ons levensonderhoud te voorzien.

[Spinoza, Verhandeling over de verbetering van het verstand, vertaald en ingeleid door W.N.A. Klever, Baarn, 1986, p. 61 – 66.]

  1. In de voorrede bij deel V van zijn hoofdwerk de ‘Ethica’ stelt Spinoza, dat de macht van de ‘Rede’ de weg is die tot vrijheid en gelukzaligheid leidt. Over de passies hebben we geen volledige heerschappij, we kunnen ze wel door oefening en inspanning bedwingen of matigen.

     Stelling 3 bevat een goed voorbeeld van wat Spinoza hiermee bedoeld: “Een aandoening die een passie is, houdt op een passie te zijn, zodra wij er een duidelijke voorstelling van hebben.” 

Als we een begeerte of een angst die in ons bewustzijn opkomt gaan observeren en leren kennen wordt onze identificatie ermee minder en verliest die aandoening zijn greep op ons. 

     Een ander voorbeeld is stelling 6: “Naarmate de Geest alle dingen als noodwendig begrijpt, heeft een mens meer macht over zijn aandoeningen en heeft hij er minder onder te lijden.” 

Iemand die bijvoorbeeld iets verliest, zal daar minder om treuren als hij zich realiseert, dat hij het onmogelijk had kunnen behouden.

     Passies behoren tot het biologisch domein. Volgens Spinoza is het niet verstandig om passies te onderdrukken. Zijns inziens is een passie slechts gevaarlijk voor zover de Geest er door wordt belemmerd in het denken [Bewijs bij stelling 9]. Hij schrijft: “Met ons verstand kunnen we inzien dat we onze begeerten verbinden met onjuiste oorzaken. We kunnen leren om de begeerten te begrijpen, en dan te scheiden van de gedachte aan een uitwendige oorzaak en te verbinden met de ware of eerste oorzaak; met God, de immanente oorzaak van alle dingen [opmerking bij stelling 20 en brief nr. 73].    

     De menselijke geest kan door zelfontwikkeling opklimmen tot de hoogste wijsheid. Bewijs bij stelling 27 en bij stelling 32: De hoogste deugd van de Geest is God te kennen. Deze deugd is groter naarmate de geest meer dingen begrijpt. Hij die deze dingen begrijpt bereikt de hoogste menselijke volmaaktheid en zal de hoogste Blijheid voelen; daaruit ontspruit ook de grootst mogelijke zielsrust.

[Spinoza, Ethica, vertaling en aantekeningen door Nico van Suchtelen, Amsterdam, 1979.]

 

  1. Zaterdag, 24 mei 1884. Ramakrishna is in zijn kamer op het terrein van de Kali-tempel te Dakshineswar. Hij is daar in gesprek met twee acteurs, die de avond tevoren hadden deelgenomen aan de opvoering van ‘Vidyasundar’, een religieus toneelstuk.

     Een van de acteurs vraagt aan Ramakrishna: “Wat is het verschil tussen lust en begeerte?”

Ramakrishna: “Lust is de wortel van de boom en begeerten zijn de takken en twijgen. Je kunt de zes  passies niet uitroeien. Richt ze daarom op God. Als je begeerte en hebzucht wilt, begeer dan de liefde voor God en de zucht om Hem bij je te hebben. Als je trots en zelfzuchtig wilt zijn, ga er dan prat op dat jij God dient, zijn kind bent.” 

[The Gospel of Sri Ramakrishna, p. 427/428, zie ook p. 220.]

     Ramakrishna kreeg meer dan eens de vraag voorgelegd of, en zo ja hoe, passies kunnen worden overwonnen. Zijn antwoord was:

“Je kan God niet zien, zolang er een spoor van begeerte is. Bevredig daarom de kleine begeerten en reken af met de grotere door gebruik van rede en onderscheidingsvermogen.”

”Zolang de passies op de wereld en wereldse zaken zijn gericht gedragen ze zich als vijanden. Maar wanneer ze gericht zijn op God zijn het de beste vrienden die je kan hebben, want dan brengen ze je tot God. Passies kunnen niet uitgeroeid worden, wel opgevoed.” 

[Sayings of Sri Ramakrishna nr. 424 en 426].

 

Sommige westerse Spinoza-kenners hebben zich op hun beurt ook verdiept in leven en leer van Sri Ramakrishna. Bijvoorbeeld:

– Max Müller [1823 – 1900] promoveerde in 1843 op een proefschrift gewijd aan het derde deel ‘De affectibus” van de ‘Ethica’ van Spinoza en schreef aan het eind van zijn leven (na gesprekken met Keshab Sen en Swami Vivekananda en schriftelijke informatie aangeleverd door Swami Saradanada) de biografie “Sri Ramakrishna. His Life and Sayings”[London and Bombay, 1898].

– Carl Vogel [1866 – 1944] vertaalde in 1909 de ‘Ethica’ van Spinoza in het Duits en schreef in 1921  de spirituele biografie “Sri Ramakrishna, Der letzte Indische Prophet”.

 


ENGLISH VERSION

 

Some Vedanta students are interested in the ideas of the Dutch philosopher Benedictus de Spinoza. Understandable: There are striking similarities.

1, On Thursday April 22, 1886, the day before Good Friday, Rakhal, Sashi and M., three disciples of Sri Ramakrishna, walk in the garden of Cossipore where their Master is being nursed. They exchange views on some of his statements.

Sashi: “Recently he described the different mental capacities for Charu. The mind that takes you to God is the true mind, but the mind that enables you to become a mayor or a lawyer or to buy a house is a limited mind. ”

Sashi: “Kali asked the Master, ‘What’s the use of having fun? Primitive peoples are always excited about singing and dancing.

Rakhal: “He [the Master] said to Kali, ‘What do you mean? Can the Bliss of Brahman be the same as worldly pleasures? Ordinary people are content with worldly pleasures. One cannot experience bliss unless one breaks away from attachment to worldly things. There is pleasure in money and sensuality on the one hand, and the bliss of the God experience on the other. Could those two ever be the same? The Rishis rejoiced in the Bliss of Brahman. ‘”

[‘The Gospel of Sri Ramakrishna’, Abridged Edition, p. 504]

In the estate of the philosopher Spinoza, who died in 1677, was a Latin script by his hand, which dealt with ‘the improvement of the mind’. It starts like this: “After experience had taught me that everything that happens frequently in everyday life is vain and futile, and after I had understood that all things that I feared contained no other good or evil than my mind because of it. moved, I finally came to the decision to investigate whether there is something that is really good and achievable and that in itself could fill the mind. In other words: Whether there is something that, if I had found it and mastered it, I would be able to enjoy permanently in the highest joy. ”

Spinoza realized that if he were to strive for the highest good, he would have to deny himself the benefits of what is most desirable to most people, namely, fame, wealth, and sensuality. Because, he writes, “the mind is so absorbed by these three things that a person can think of almost nothing else.”

The youthful Spinoza did not know this from his own experience. He had looked around carefully and had seen more and more clearly that the thirst for name and fame, for money and pleasure was harmful to people and often the cause of their downfall. This was true not only of those who pursue these things, but also of those who possess them, because they are only temporary gratification, are lost or taken away.

Spinoza also gave the reader a number of practical precepts:

Let us speak to us and take into account the comprehension of those around us in our behavior so that we are not hindered in achieving our goal.
Let’s use and enjoy the pleasures of life as necessary to maintain health.
Let us not acquire more money and supplies than is necessary to make a living.

[Spinoza, Treatise on the Improvement of the Mind, translated and introduced by W.N.A. Klever, Baarn, 1986, p. 61-66.]

In the preface to part V of his main work, the ‘Ethics’, Spinoza argues that the power of ‘Reason’ is the way that leads to freedom and bliss. We do not have full dominion over the passions, but we can subdue or moderate them through practice and effort.

Proposition 3 contains a good example of what Spinoza means by this: “A condition that is a passion ceases to be a passion as soon as we have a clear idea of ​​it.”

When we begin to observe and get to know a desire or a fear that arises in our consciousness, our identification with it becomes less and that condition loses its grip on us.

Another example is statement

6: “As the Spirit understands all things as necessary, a man has more power over his affections and suffers less.”

For example, someone who loses something will grieve less when he realizes that he could not possibly have kept it.

Passions belong to the biological domain. According to Spinoza, it is not wise to suppress passions. In his opinion, a passion is dangerous only in so far as it impedes the mind in thinking [Proof for thesis 9]. He writes, “With our minds we can see that we are connecting our desires with false causes. We can learn to understand the desires, and then separate from the thought of an external cause and connect with the true or first cause; with God, the immanent cause of all things [note to thesis 20 and letter no. 73].

The human mind can rise to the highest wisdom through self-development. Proof for statement 27 and statement 32: The highest virtue of the Spirit is to know God. This virtue is greater the more things the mind understands. He who understands these things attains the highest human perfection and will feel the supreme Joy; this also gives rise to the greatest possible peace of mind.

[Spinoza, Ethics, translation and notes by Nico van Suchtelen, Amsterdam, 1979.]

Saturday, May 24, 1884. Ramakrishna is in his room on the grounds of the Kali Temple at Dakshineswar. There he is talking to two actors who had taken part in the performance of ‘Vidyasundar’, a religious play the night before.

One of the actors asks Ramakrishna, “What is the difference between lust and desire?”

Ramakrishna: “Lust is the root of the tree and desires are the branches and twigs. You cannot eradicate the six passions. Therefore, direct them to God. If you want lust and greed, covet the love of God and the thirst to have Him with you. If you want to be proud and selfish, take pride in serving God, being his child. ”

[The Gospel of Sri Ramakrishna, p. 427/428, see also p. 220.]

Ramakrishna was asked more than once if, and if so, how, passions can be overcome. His answer was:

“You cannot see God as long as there is a trace of desire. Therefore satisfy the small desires and deal with the greater ones by using reason and discernment. ”

As long as the passions are focused on the world and worldly things, they act like enemies. But when they are focused on God, they are the best friends you can have because then they bring you to God. Passions cannot be eradicated, but they can be educated. ”

[Sayings of Sri Ramakrishna nos. 424 and 426].

 

                                                                                   


 

 

 

 

 

Dhr Kees Boukema

Kees Boukema is sinds decennia student van Vedanta en andere filosofische systemen. Hij heeft divers bijgedragen aan het veld van hoger denken. Hij heeft belangrijke artikelen en boeken geschreven en vertaald. Dhr Kees Boukema is de bijdragende redacteur van deze pagina.