Spinoza and Vedanta

[continued from the previous issue]

The ideas of Benedict de Spinoza, the 17th century Dutch philosopher, are in many ways consistent with the philosophy of Vedanta, as taught by the Indian saint Sri Ramakrishna, who lived in the 19th century. There are, of course, differences in their teaching. In part these are related to the difference in time and place in which both wisdom teachers lived and worked. A few examples:

In his youth work “Treatise on the Improvement of the Mind” Spinoza formulated three precepts. In the first rule of life he urges his readers to be careful in word and behavior, taking into account the limited comprehension of the people around them. “Caute” [Latin for: ‘Be careful!’] Was his motto.


Why was caution required? There was very limited freedom of religion in Amsterdam in the 17th century. In addition to the dominant Protestant Christian religion, Catholicism and the Jewish religion were only turned a blind eye. These religions were not to be publicly proclaimed or practiced. Spinoza’s manuscripts were therefore only distributed and discussed in private circles during his lifetime. Moreover, he did not write in the vernacular, but in Latin. His readers were men who had ‘continued learning’. His most important works, such as the ‘Ethics’ and the ‘Theological-Political Tract’, were only translated, printed and published into Dutch after his death. At the insistence of the pastors, these books were banned a year later by the States of Holland and West Friesland as ‘prophane, atheistic and blasphemant, on the strictest punishment’.

In contrast, in 19th century India there were no restrictions on the teaching or practice of religion. Hindus, Muslims, Buddhists and Christians were allowed to follow the precepts of their religion as long as they did not break the law. The Vedas, Upanishads and other sacred texts are written in Sanskrit, but Sri Ramakrishna spoke freely with his disciples and other visitors in Bengali, the vernacular. Ramakrishna not only preached tolerance towards other religions, but he taught his listeners that all religions are equal. He knew from his own experience that every religion is a way that leads to one and the same God. “Only ignorant people claim their religion is better than others,” he said.

In his second rule of life, Spinoza advised his readers to make appropriate use of the pleasures of life: No more than is necessary to maintain health. His circle of friends consisted of men who lead secular lives: grown-up family fathers, mostly merchants. Spinoza believed that they, like himself, were able to moderate themselves when it came to sensual pleasures.
The audience of Sri Ramakrishna consisted for a large part of young men, in their twenties, whom he saw as seeking a spiritual path and fit to become sannyasins [monks]. A worldly life with wife, marriage, children, looking for work and earning money would leave them no time for ‘sadhana’, spiritual practice. This would frustrate their destiny, “a life devoted to God.” Since lust and greed are the main obstacles to a spiritual life, Ramakrishna warned his students about ‘kamini kanchan’, women and money.

There is also a striking difference between, on the one hand, the spiritual way Spinoza presented to his friends, “the way of knowledge and progressive understanding,” and, on the other hand, the way Sri Ramakrishna showed his followers, “the way of devotion and love.” It is a difference, but not a contradiction, because according to Spinoza it is precisely knowing God that leads to love for God and according to Ramakrishna dedication and love is the way to come to knowledge of God.
In a letter to Willem van Blyenbergh, dated January 15, 1665, Spinoza wrote that the devout man’s love for God stems from his knowledge of God. He emphasized this again in his letter of January 28, 1665: “That our supreme happiness is in love to God, and that love necessarily flows from the knowledge of God, which is so dear to our hearts.” See also Ethics, Part V, Theorem 20 and 33.
Ramakrishna taught his followers, “The bottom line is to develop devotion to God and to love Him. Pray to God with a sincere heart; that is enough. Then God, the guide who lives in us, will reveal His true nature to us. ‘ (The Gospel of Sri Ramakrishna, p. 422.)


Spinoza en Vedanta

[vervolg]

     De denkbeelden van Benedictus de Spinoza, de Nederlandse filosoof uit de 17e eeuw, stemmen in veel opzichten overeen met de filosofie van Vedanta, zoals die werd onderwezen door de Indiase heilige Sri Ramakrishna, die leefde in de 19e eeuw. Er zijn in hun onderricht uiteraard ook verschillen. Voor een deel houden die verband met het verschil in tijd en plaats waarin beide wijsheidsleraren leefden en werkten. Een paar voorbeelden:

     In zijn jeugdwerk “Verhandeling over de verbetering van het verstand” formuleerde Spinoza een drietal leefregels. In de eerste leefregel bindt hij zijn lezers op het hart om in woord en gedrag voorzichtig te zijn en daarbij rekening te houden met het geringe bevattingsvermogen van de mensen in hun omgeving. “Caute” [Latijn voor: ‘Wees voorzichtig!’] was zijn lijfspreuk. 

     Waarom was voorzichtigheid geboden? Er gold in Amsterdam van de 17e eeuw een zeer beperkte godsdienstvrijheid. Naast de dominante protestants-christelijke religie werd het katholicisme en de joodse religie slechts oogluikend toegestaan. Deze godsdiensten mochten niet openlijk worden verkondigt of beoefend. Spinoza’s manuscripten werden tijdens zijn leven dan ook alleen in besloten kring verspreid en besproken. Bovendien schreef hij niet in de volkstaal, maar in het Latijn. Zijn lezers waren mannen die ‘doorgeleerd’ hadden. Zijn belangrijkste werken, zoals de ‘Ethica’ en het ‘Theologisch-Politiek Tractaat’ werden pas ná zijn dood in het Nederlands vertaald, gedrukt en uitgegeven. Op aandringen van de dominees, werden deze boeken een jaar later door de Staten van Holland en West-Friesland als ‘prophaan, atheïstisch ende blasphemant, op de hooghste straffe’ verboden.

     In het India van de 19e eeuw daarentegen golden geen beperkingen voor verkondiging of beoefening van religie. Hindoes, moslims, boeddhisten en christenen mochten de leefregels van hun godsdienst volgen, zolang zij daarbij de wet niet overtraden. De Veda’s, Upanishads en andere heilige teksten zijn in het Sanskriet geschreven, maar Sri Ramakrishna sprak met zijn leerlingen en andere bezoekers vrij uit in het Bengaals, de volkstaal. Ramakrishna predikte niet slechts verdraagzaamheid ten opzichte van andere godsdiensten, maar hij leerde zijn toehoorders dat alle religies gelijkwaardig zijn. Hij wist uit eigen ervaring, dat iedere religie een weg is die leidt tot één en dezelfde God. “Alleen onwetenden beweren dat hun religie beter is dan die van anderen”, zei hij.

     In zijn tweede leefregel adviseerde Spinoza zijn lezers om van de aangename dingen van het leven een gepast gebruik te maken: Niet meer dan nodig is voor het behoud van gezondheid. Zijn vriendenkring bestond uit mannen die een werelds leven leiden: volwassen huisvaders, merendeels kooplieden. Spinoza ging er vanuit, dat zij, net als hijzelf, in staat waren om zich te matigen als het ging om zinnelijke genoegens. 

     Het gehoor van Sri Ramakrishna bestond voor een belangrijk deel uit jongemannen, twintigers, waarvan hij zag dat ze een spirituele weg zochten en geschikt waren om sannyasins [monniken] te worden. Een werelds leven met vrouw, huwelijk, kinderen, werk zoeken en geld verdienen zou hen geen tijd laten voor ‘sadhana‘, spirituele oefening. Daardoor zou hun bestemming, ‘een leven dat gewijd is aan God’ gefrustreerd worden. Omdat lustgevoelens en hebzucht de voornaamste obstakels  zijn voor een spiritueel leven, waarschuwde Ramakrishna  zijn leerlingen onverkort voor ‘kamini kanchan’, vrouwen en geld.

     Er is een ook een opvallend verschil tussen enerzijds de spirituele weg die Spinoza zijn vrienden voorhield, ‘de weg van kennis en voortschrijdend inzicht’ en anderzijds de weg die Sri Ramakrishna zijn volgelingen wees, ‘de weg van toewijding en liefde’. Het is wel een verschil, maar geen tegenstelling, want volgens Spinoza leidt juist het kennen van God tot liefde voor God en is volgens Ramakrishna toewijding en liefde de weg om te komen tot kennis van God. 

     In een brief aan Willem van Blyenbergh, gedateerd 15 januari 1665, schreef Spinoza, dat de liefde tot God van de vrome mens voortkomt uit zijn kennis van God. Hij benadrukte dit nog eens in zijn brief van 28 januari 1665: “Dat onze hoogste geluk bestaat in de liefde jegens God en dat die liefde noodzakelijk voortvloeit uit de kennis van God, die ons zo na aan het hart gelegd wordt.” Zie ook Ethica, deel V, stelling 20 en 33. 

     Ramakrishna leerde zijn volgelingen: ‘Het komt er in wezen op aan, toewijding te ontwikkelen tot God en Hem lief te hebben. Bid tot God met een oprecht hart; dat is voldoende. Dan zal God, de leidsman die in ons leeft, Zijn ware natuur aan ons openbaren.’ (The Gospel of Sri Ramakrishna, p. 422.)

  


ABOUT THE AUTHOR

Kees Boukema has been a student of Vedanta and other philosophical systems for decades. He has contributed variously to the field of higher thinking. He has written numerous articles on philosophical subjects, reviewed books, and has translated important articles and books. Mr Kees Boukema’s most recent work is the translation into Dutch of the book The Practice of Meditation.

Kees Boukema is sinds decennia student van Vedanta en andere filosofische systemen. Hij heeft divers bijgedragen aan het veld van hoger denken. Hij heeft belangrijke artikelen en boeken geschreven en vertaald. Het nieuwste boek van Dhr Kees Boukema is, De Beoefening van Meditatie.


Previous Article

Next Article