‘Hidden Yogis’

Kees Boukema

 

When asked by a pandit, what “devotion as a path to ‘God-realization’” actually means, Sri Ramakrishna replied, “It depends on one’s ‘guna’ (energetic disposition). ‘Tamasic’ people have a rock solid conviction. They have strong spirits and fervent faith. Such a person says, ‘What? Once I invoked the name of Kali and of Durga! Once I invoked the name of Rama! Can there be any sin in me?’

The ‘rajasic’ believer is one who likes to display his religion. He makes a show of it. In the worship of the deity, he uses the sixteen ingredients according to the prescribed ritual. When entering the temple, he wears a silk robe and around his neck a beaded necklace with gold and ruby ​​beads.


Believers with a ‘sattvic’ temperament are known only to God. They hide their worship; there is no ostentation. Maybe they meditate under a mosquito net. When that purity is developed, the experience of God is near. As when the eastern sky turns red in the morning, the sun will not be long in coming” (Gospel, p. 493/494).
When asked by ‘M’ (author of the Gospel‘) whether a ‘sattvic’ believer can still provide for his family when he is overwhelmed by ecstasy, Sri Ramakrishna said: “There are two kinds of yogis. The overt yogi and the hidden yogi. A breadwinner can be a hidden yogi. No one recognizes him as such. A breadwinner has to say goodbye to the world mentally, not physically” (Gospel, p. 549).
Also in our days there are ‘hidden yogis’. For example, it appeared from the diary he had left that the Swedish diplomat, Secretary-General of the United Nations, Dag Hammarskjöld (1905 -1961), who was awarded the Nobel Peace Prize in 1961, in addition to a demanding working life, also had an intense working life. spiritual life. He is the man who in 1956 prevented the crisis around the Suez Canal from turning into a world war through urgent diplomatic consultations and the rapid formation of a ‘UN peacekeeping force’. And in 1960 he managed to persuade the warring factions in Congo to try to resolve their differences through peace talks.

Dag Hammarskjöld

In 1963 his diary was published under the title ‘Vägmärken’. It is an account of an inner development, which he himself described as: “my dialogue with myself – and with God”. Initially, the notes mainly concern the purification of one’s own motives [pride, assertiveness, striving for recognition, etc.]. From the later notes, in the years he was with the U.N. work turns out to be an aspiration to imitate Christ. On Whitsun 1961 he wrote:
“Once I said ‘yes’ to someone, or something. From that moment on I have the certainty that life has meaning and that my life, in submission, has a purpose. From that moment on I have known what it means ‘not to see’, or ‘not to worry about tomorrow’. […..] I realized that this road leads to a triumph that is destruction and to a destruction that is triumph, that the prize you receive for the commitment of your own life is reproach, and that the depth of humiliation is the is the only exaltation that is possible for a man. After that the word ‘courage’ had lost its meaning for me, because nothing could be taken from me anymore.” (Marking Stones, p. 200).
From this note speaks the willingness of a Karma-yogi; he who follows the path of selfless work. On September 17, 1961, Dag Hammarskjöld was killed when the plane he was traveling on from the Republic of the Congo to Rhodesia crashed. Among the books he carried was a French edition of the ‘Imitatio Christi’ of the Dutch monk Thomas a Kempis (1379-1471).


‘Verborgen Yogi’s’

Kees Boukema

 

     Op de vraag van een pandit, wat “devotie als weg tot ‘God-realisatie” eigenlijk inhoudt, antwoordde Sri Ramakrishna: “Dat hangt af van iemands ‘guna’ (energetische geaardheid). ‘Tamasic‘ mensen hebben een rotsvaste overtuiging. Zij beschikken over een sterke geest en een vurig geloof. Zo iemand zegt: ‘Wat? Eens heb ik de naam van Kali en van Durga aangeroepen! Eens heb ik de naam van Rama aangeroepen! Kan er in mij enige zonde zijn?’

     De ‘rajasic‘ gelovige is iemand die zijn godsdienstigheid graag tentoonspreidt. Hij maakt er een show van. Bij de verering van de godheid gebruikt hij de zestien ingrediënten volgens het voorgeschreven ritueel. Bij het betreden van de tempel draagt hij een zijden gewaad en om zijn nek een kralenketting met gouden en robijnen kralen.

     Gelovigen met een ‘sattvic’ temperament zijn alleen bij God bekend. Zij houden hun godsverering verborgen; er is geen uiterlijk vertoon. Misschien mediteren ze onder een muskietennet. Wanneer die zuiverheid is ontwikkeld, is de godservaring nabij. Zoals wanneer ‘s ochtends de oostelijke hemel rood kleurt, ook de zon niet lang op zich zal laten wachten” (Gospel, p. 493/494).

     Op de vraag van ‘M’ (auteur van de Gospel’) of een ‘sattvic’ gelovige nog wel voor zijn gezin kan zorgen als hij overweldigd wordt door extase, zei Sri Ramakrishna: “Er zijn twee soorten yogi’s. De openlijke yogi en de verborgen yogi. Een kostwinner kan een verborgen yogi zijn. Niemand herkent hem als zodanig. Een kostwinner moet de wereld mentaal vaarwel zeggen, niet fysiek” (Gospel, p. 549). 

     Ook in onze dagen zijn er ‘verborgen yogi’s’. Zo bleek uit het dagboek dat hij had nagelaten, dat de Zweedse diplomaat, secretaris-generaal van de Verenigde Naties Dag Hammarskjöld (1905 –1961) aan wie in 1961 de Nobelprijs voor de vrede werd toegekend, behalve een veeleisend werkzaam bestaan, ook een intens spiritueel leven had geleid. Hij is de man, die in 1956 door diplomatiek spoedoverleg en snelle vorming van een ‘V.N.-vredesmacht’ voorkwam, dat de crisis rond het Suezkanaal zou uitgroeien tot een wereldoorlog. En in 1960 wist hij de strijdende partijen in Congo over te halen om door middel van vredesbesprekingen te proberen hun geschillen op te lossen.

     In 1963 werd zijn dagboek gepubliceerd onder de titel ‘Vägmärken’. Het is een verslag van een innerlijke ontwikkeling, die hijzelf omschreef als: “mijn dialoog met mezelf – en God”. In de notities gaat het aanvankelijk vooral om de zuivering van eigen motieven [trots, geldingsdrang, streven naar erkenning etc.]. Uit de latere notities, in de jaren dat hij bij de V.N. werkte blijkt een streven tot navolging van Christus. Op Pinksterdag 1961 schreef hij:

     “Eens zei ik ‘ja’ tegen iemand, of iets. Vanaf dat moment heb ik de zekerheid dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in onderwerping, een doel heeft. Vanaf dat moment heb ik geweten wat het wil zeggen ‘niet om te zien’, of ‘zich niet te bekommeren om de dag van morgen’. […..] ik besefte dat deze weg naar een triomf voert die ondergang is en naar een ondergang die triomf is, dat je de prijs die je ontvangt voor de inzet van je eigen leven smaad is, en dat de diepte van de vernedering de enige verheffing is die voor een mens mogelijk is. Daarna had het woord ‘moed’ voor mij zijn zin verloren, omdat niets mij meer ontnomen kon worden.” (Merkstenen, blz. 200).

     Uit deze notitie spreekt de offer-bereidheid van een Karma-yogi; hij die het pad volgt van onzelfzuchtig werk. Op 17 september 1961 kwam Dag Hammarskjöld om het leven, toen het vliegtuig waarmee hij op weg was van de Republiek Congo naar Rhodesië, neerstortte. Onder de boeken die hij bij zich had bevond zich een Franse uitgave van de ‘Imitatio Christi‘ van de Nederlandse monnik Thomas a Kempis (1379-1471).


ABOUT THE AUTHOR

Kees Boukema has been a student of Vedanta and other philosophical systems for decades. He has contributed variously to the field of higher thinking. He has written numerous articles on philosophical subjects, reviewed books, and has translated important articles and books. Mr Kees Boukema’s most recent work is the translation into Dutch of the book The Practice of Meditation.

Kees Boukema is sinds decennia student van Vedanta en andere filosofische systemen. Hij heeft divers bijgedragen aan het veld van hoger denken. Hij heeft belangrijke artikelen en boeken geschreven en vertaald. Het nieuwste boek van Dhr Kees Boukema is, De Beoefening van Meditatie.