ARCHIVES

November 2019

[Please scroll down for the English Version]

Wat is Waarheid?

 

De vraag naar wat waarheid is, is een klassieke vraag binnen de filosofie. Epistemologie (kennistheorie) is de tak van de filosofie die de aard, oorsprong, voorwaarden voor en reikwijdte van kennis en waarheid onderzoekt. Waarheid is iets van echtheid, geldigheid en juistheid. Het adjectief ‘waar’ wordt in de eerste plaats toegeschreven aan overtuigingen, uitspraken en theorieën. 

Veel van de discussie gaat over de rechtvaardigingsgronden van kennisaanspraken oftewel de gronden waarop men kan beweren iets te weten. Heel in het kort probeert de kennistheorie de vraag “Hoe weten we dat wat we weten?” te beantwoorden.

De vraag naar de aard van waarheid is van wezenlijk belang. Enerzijds omdat de mens de neiging heeft al snel te te geloven in datgene wat in de buurt komt van wat voor hem (c.q. haar) waar is. Anderzijds omdat datgene wat als waar wordt beschouwd van grote invloed is op datgene wat met verder denkt en vervolgens doet. Daarmee is iemands waarheid zeer bepalend voor de wijze waarop hij zijn leven leeft. 

Westerse benadering van de gronden waarop men de waarheid kent

Wellicht de meest voorkomende en oudste filosofische westerse opvatting van waarheid is de correspondentietheorie: iets is (verstandelijk) waar als het correspondeert met de werkelijkheid. De oudste versies hiervan zijn geformuleerd door Plato en Aristoteles: Waar is ‘van iets dat zo is te zeggen dat het zo is’ en van ‘iets dat niet zo is te zeggen dat het niet zo is’.

Het eerste alternatief voor de correspondentietheorie was de coherentietheorie, zoals die o.a. door Baruch Spinoza werd aangehangen. Waarheid bestaat volgens deze opvatting uit de onderlinge samenhang van de verschillende opvattingen en soorten kennis. Waarheid staat dus los van de werkelijkheid en hangt enkel af van andere relevante uitspraken. Een consequentie hiervan is dat de waarheid veranderlijk kan zijn: als er nieuwe ontdekkingen worden gedaan, kan waarheid dus ook veranderen. Een belangrijk argument voor deze opvatting is dat dit adequaat beschrijft hoe we in werkelijkheid aan onze kennis komen. Wanneer wij moeten controleren of een uitspraak al dan niet waar is, lijken wij toch te kijken naar onze andere overtuigingen en kennis. Echter, een beperking van deze benadering is dat in deze opvatting dezelfde zaken voor de een als ‘waar’ en de ander als ‘onwaar’ gezien kunnen worden. 

Als reactie op de coherentietheorie is een pragmatische opvatting ontstaan. Waarheid wordt hier gezien in termen van functionaliteit en bruikbaarheid. Een opvatting van waarheid over hoe de wereld echt is, wordt verworpen. We kunnen niet weten hoe de wereld echt is en dit is ook niet nodig. We kunnen onze uitspraken enkel vergelijken met andere uitspraken en kijken of ze goed werken. Waarheid wordt dan ook gedefinieerd in termen van nut: iets is ‘waar’ als iets in de praktijk werkt of nuttig is. In feite is dit een heel nuchtere en intstrumentalistische opvatting van waarheid dat het best kan worden beschreven aan de hand van de eendentest “If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck”. Hiermee is waarheid bijna weer iets relatiefs geworden. 

Hedendaagse westerse filosofen vertegenwoordigen voornamelijk de consensustheorie die stelt dat een uitspraak waar is, wanneer een onbegrensd groot aantal mensen deze uitspraak onderschrijven. Waarheid wordt met andere woorden gedefinieerd in termen van een rationele consensus tussen alle betrokken partijen.

Een ander deel van het debat binnen de epistemologie is het debat tussen de externalisten en  internalisten. Externalisten zijn van mening dat enkel externe factoren, buiten het psychologische deel van de persoon die de kennis vergaart, kunnen fungeren als goede voorwaarden voor kennis. Internalisten stellen daar tegenover dat de kennisgronden in principe wel degelijk te vinden zijn in de menselijke geest zelf. 

Zo beschouwd wordt in het westen de waarheid gezien als een relatief perspectief van de werkelijkheid, dat zich in de tijd voortschrijdend heeft ontwikkeld en waarbij tot op de dag van vandaag een discussie bestaat over de rol van de menselijke geest als kennisgrond.

Oosterse benadering van de gronden waarop men de waarheid kent

In de filosofieën van het Indische subcontinent wordt de kennistheorie aangeduid met ‘Pramana’. 

Volgens deze theorie zijn er verschillende manieren om kennis over de werkelijkheid te vergaren, waarbij zes pramana’s domineren. Dit zijn pratyaksa (waarneming), anumana (gevolgtrekking), upamana (vergelijking en analogie), arthapatti (afleiding uit omstandigheden), anupalabdhi (afwezigheid van waarneming/ negatief bewijs) en sabda (getuigenis van expert).

Over welke pramana werkelijk bijdraagt aan kennis verschillen de diverse scholen en ook daarbinnen zijn er afwijkende opvattingen. Daarnaast wordt in diverse scholen een onderscheid gemaakt tussen een hogere absolute waarheid en een lagere praktische waarheid, waarbij veelal wordt gesteld dat de eerste niet te kennen is via pramana; dit is meestal slechts mogelijk via openbaring.

Een synthese

Kijkend naar de twee invalshoeken, de westerse en de oosterse benadering, lijkt er geen eenduidige definitie of absolute zekerheid te bestaan over wat de gronden zijn waarop men kennis en waarheid kent. Beide zijn relatief en bieden ruimte voor persoonlijke voorkeur. 

Als ik persoonlijk naar beide invalshoeken kijk dan vind ik de op dit moment in het westerse aangehangen consensustheorie te abstract. Iets is waar als heel veel mensen het waar vinden. Waarbij ‘spontane’ innerlijke inzichten en ervaringen, die niet zijn verkregen via de ‘klassieke’ zintuigen verkregen, zeer sterk ter discussie staan. De oosterse benadering is daarentegen specifieker en laat op onderdelen (zoals Vedanta) tevens ruimte voor ‘niet-klassieke’ of buitenzintuiglijke bronnen. Dit is echter beperkt tot getuigenissen van experts alleen, zoals de wijsheden van zieners.

Alvorens ik mijn persoonlijke benadering geef wil ik kort stilstaan bij de mogelijke vormen van waarneming of gewaarwording. Ik onderscheid hiertoe zintuiglijke en buiten-zintuiglijke vormen. Zintuiglijk onderscheid ik: zien, horen, ruiken, voelen (tast, temperatuur, pijn, evenwicht en lichaamsbewustzijn) en proeven. Buiten-zintuiglijk onderscheid ik gewaarwordingen zoals helderziendheid, telepathie, aura’s zien, mediëren, intuïtie, empathie, angst, liefde, het gevoel dat je bekeken wordt, voorgevoel, uittreding, bijna-dood ervaringen, voorspellende dromen, openbaringen en regressie (kennis uit voorgaand leven). 

Voor mijzelf zou ik de gronden waarop de waarheid gekend kan worden als volgt willen duiden. 

In onze (relatieve) wereld is waarheid ‘datgene wat iemand zelf als waar beschouwd’. Daartoe is het nodig kennis of inzichten te verkrijgen. Deze kunnen wij als mens als eerste verkrijgen middels klassieke-zintuiglijke waarneming middels bijbehorende fysiologische processen. Ten tweede  kunnen we inzichten en ervaringen buiten-zintuiglijk opdoen (zie hiervoor). Ten derde kunnen we inzichten opdoen door het eigen maken van ervaringen of kennis van anderen door middel van het opnemen van informatie (via zien en horen). 

In zuiver opzicht is overigens persoonlijke buitenzintuiglijke waarneming slechts de enige zuivere bron, aangezien andere inzichten (die via onze zintuigen) slechts secundair zijn. Secundair in de zin dat de ervaring niet als zodanig direct in het bewustzijn verschijnt, maar indirect middels electro-chemische reacties vanuit de zintuigen of via ‘externe kennis’. Inzichten op basis van het opnemen van (externe) informatie is daarmee tertiair. 

Vanuit deze benadering beschouw ik als gronden van waarheid:

  • iedere directe buiten-zintuiglijke gewaarwording (is per definitie waar)
  • Iedere zintuiglijke waarneming die consistent is met het (zonodig daarop aangepaste) geheel van buiten-zintuiglijke gewaarwordingen en door mij reeds geaccepteerde zintuiglijke gewaarwordingen die ik in de vorm van een idee als waarheid heb gedefinieerd
  • Ieder idee van anderen dat consistent is met mijn (zonodig daarop aangepaste) geheel van door mij reeds geaccepteerde ideeën. 

Wederom misschien een non-conformistisch perspectief, maar wel een die consistente is met het geheel van mijn eerder geaccepteerde ideeën. Wat is waarheid voor jou?

Good vibes!

Corné van Nijhuis

 


ENGLISH VERSION

What is Truth?

The question of what truth is is a classical one within philosophy. Epistemology (knowledge theory) is the branch of philosophy that examines the nature, origin, conditions and scope of knowledge and truth. Truth is something of authenticity, validity and correctness. The adjective ‘true’ is primarily attributed to beliefs, statements and theories.

Much of the discussion is about the justification of knowledge claims or the grounds on which one can claim to know something. Briefly, the theory of knowledge attempts to ask the question “How do we know what we know?”

To answer the question of the nature of truth is essential. On the one hand, because people have a tendency to quickly believe in what is close to what is true for them,  on the other hand, because what is considered true has a great influence on what one thinks further and then does. In this way someone’s truth is very decisive for the way in which he lives his life.

The Western approach to the grounds on which people know the truth

Perhaps the most common and oldest philosophical Western conception of truth is the correspondence theory: something is (intellectually) true if it corresponds to reality. The oldest versions of this have been formulated by Plato and Aristotle: It is “from something that can be said that it is” and from “something that is not to say that it is not”.

The first alternative to correspondence theory was coherence theory, as it was held by Baruch Spinoza, among others. According to this view, truth consists of the mutual coherence of the different views and types of knowledge. Truth is therefore independent of reality and only depends on other relevant statements. One consequence of this is that truth can be changeable: if new discoveries are made, truth can also change. An important argument for this view is that it adequately describes how we actually obtain our knowledge. When we have to check whether a statement is true or not, we still seem to be looking at our other beliefs and knowledge. However, a limitation of this approach is that in this view, the same things can be seen as “true” for the one and “false” for the other.

A pragmatic view has emerged as a response to coherence theory. Truth is seen here in terms of functionality and usability. A conception of truth about how the world is real is rejected. We cannot know what the world really is and this is not necessary. We can only compare our statements with other statements and see if they work well. Truth is therefore defined in terms of utility: Something is “true” if something works in practice or is useful. In fact, this is a very sober and instrumental view of truth that can best be described by the duck test “If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it’s probably a duck” . Truth has almost become something relative again.

Contemporary Western philosophers mainly represent the consensus theory that a statement is true when an unlimited number of people subscribe to it. In other words, truth is defined in terms of a rational consensus between all parties involved.

Externalists and Internalists

Another part of the debate within epistemology is the debate between externalists and internalists. Externalists believe that only external factors other than the psychological part of the person gathering the knowledge can function as good conditions for knowledge. Internalists, on the other hand, argue that the knowledge grounds can in principle be found in the human mind itself.

Seen in this way, in the West, truth is seen as a relative perspective of reality, which has evolved over time and where there is still a debate about the role of the human mind as a ground of knowledge.

The Eastern Viewpoint

The Eastern approach to the grounds on which people know the truth

In the philosophies of the Indian subcontinent, the theory of knowledge is referred to as “Pramana”.

According to this theory, there are different ways to gain knowledge about reality, with six pramanas dominating. These are pratyaksa (observation), anumana (inference), upamana (comparison and analogy), arthapatti (derivation of circumstances), anupalabdhi (absence of observation / negative evidence) and sabda (expert testimony).

The various schools differ on which pramana really contributes to knowledge, and there are also different views within it. In addition, a distinction is made in various schools between a higher absolute truth and a lower practical truth

A synthesis

Looking at the two perspectives, the Western and the Eastern approach, there seems to be no clear definition or absolute certainty about the grounds on which one knows knowledge and truth. Both are relative and offer room for personal preference.

If I take a personal look at both perspectives, I find the consensus theory currently practiced in Western terms too abstract. Something is true when a lot of people think it’s true. Where “spontaneous” inner insights and experiences, which were not obtained through the “classical” senses, are very much in dispute. The Eastern approach, on the other hand, is more specific and also leaves room for “non-classical” or extrasensory sources in parts (such as Vedanta). However, this is limited to testimonials from experts alone, such as the wisdom of seers.

Before I give my personal approach, I want to briefly consider the possible forms of perception or perception. I distinguish between sensory and extra-sensory forms. Sensory I distinguish: see, hear, smell, feel (touch, temperature, pain, balance and body awareness) and taste. Extra-sensory I distinguish sensations such as clairvoyance, telepathy, seeing auras, mediating, intuition, empathy, fear, love, the feeling that you are being watched, premonition, withdrawal, near-death experiences, predictive dreams, revelations and regression (knowledge from the previous one) life).

For myself, I would like to explain the grounds on which the truth can be known as follows.

In our (relative) world, truth is “what a person regards as true.” To this end, it is necessary to obtain knowledge or insights. As humans, we can be the first to obtain these through classical sensory perception through associated physiological processes. Secondly, we can gain insights and experiences beyond the senses (see above). Thirdly, we can gain insight by acquiring experiences or knowledge of others through the recording of information (through seeing and hearing).

In a pure sense, incidentally, personal extrasensory perception is only the only pure source, since other insights (through our senses) are only secondary. Secondary in the sense that the experience as such does not appear directly in consciousness, but indirectly through electro-chemical reactions from the senses or through “external knowledge”. Insights based on the recording of (external) information is therefore tertiary.

From this approach I consider the grounds of truth:

Any direct extra-sensory sensation (is by definition true)
Every sensory perception that is consistent with the (if necessary adapted) whole of extra-sensory sensations and sensory sensations I have already accepted that I have defined as truth in the form of an idea
Any idea from others that is consistent with my (if necessary adapted) set of ideas that I have already accepted.

Again perhaps a non-conformist perspective, but one that is consistent with all of my previously accepted ideas.

What is truth for you?


Dhr Corné van Nijhuis is de Bijdragende Redacteur van deze sectie.

Dit deel is het filosofische deel. Het thema zelf is moeilijk. We vragen u om deel te nemen en uw mening te geven in het commentaargedeelte.