De toekomst van de wetenschap

Corné van Nijhuis

De wetenschap heeft ons vele technologische ontwikkelingen gebracht die het leven in eerste instantie in praktische zin vergemakkelijken. Gezien vanuit Maslow’s pyramide van behoeften hebben alle technologische ontwikkelingen een grote bijdragen geleverd aan onze lichamelijke behoeften, onze behoeften aan veiligheid; zekerheid en behoeften aan sociaal contact. Waar het ons weinig heeft gebracht, maar ook weinig kan helpen, is het vervullen van behoeften aan zelfrespect en zelfverwerkelijking, hooguit op indirecte wijze. En de behoefte aan zelftranscendentie is zeker geen terrein waarop de technologische ontwikkelingen bijdragen hebben geleverd. De invulling daarvan zullen we dan ook vanuit een andere bron moeten vinden.

Een bron die, zoals die 3 hogere behoeften zelf al aangeven, ‘van binnen’ gelegen is: in het ‘zelf’. En zoals iedereen zal beamen is hij (of zij) niet zijn lichaam, maar iets transcendents ofwel zijn geest of spirituele kern. Daarmee ligt de sleutel tot zelfrespect, zelfverwerkelijking en zelftranscendentie op het spirituele vlak. Alleen door ‘naar binnen te gaan’ is inzicht te krijgen in je ‘hogere’ behoeften.

‘Helaas’ hebben enerzijds de wetenschap zelf en anderzijds de daaruit voortgekomen technologische ontwikkelingen er de laatste 50 jaar voor gezorgd dat wij ons in het westen van de spirituele weg hebben verwijderd. De wetenschappelijke ontdekkingen gaven wetenschappers het vertrouwen dat er uiteindelijk een verklaring voor alles gevonden kon worden en dat de wereld ‘maakbaar’ zou zijn. Iets dat ook de niet-wetenschappers werd voorgehouden en wat ook zij zijn gaan geloven. Daarmee was er geen behoefte meer aan een almachtige God, de mens kon het zelf en werd ook het tot dan aanwezige religieuze pad verlaten (ontkerkelijking). Dit werd versterkt door de praktische technologische toepassingen die het leven met de dag draaglijker maakte, waarmee de ‘vlucht’ tot een religie ook niet meer zo nodig was. En met deze tanende aanwezigheid van religie in het westen verdween tegelijk de aandacht voor het spirituele. De wereld leek maakbaar en het was een kwestie van tijd of het leven was ook volledig maakbaar.

Met name in de laatste decennia bleek echter dat de wetenschappelijke ontdekkingen van de laatste honderd jaar geen wezenlijke antwoorden meer op te leveren op de essentiële vragen over het bestaan. Nog sterker, de etenschappelijke ontdekkingen bewezen dat het sinds de 18e eeuw wetenschappelijk opgebouwde (en bij de meesten nog bestaande) werkelijkheidsbeeld niet juist was. Met name dat er een transcendente werkelijkheid bestaat die de bron van de natuurlijke werkelijkheid moet zijn. Hiermee heeft de wetenschap zijn eigen historische fundamenten ter discussie gesteld. Een discussie die helaas nog enkele generaties nodig zal hebben om de wetenschap op een volgend (lees: volwaardiger) niveau te brengen. Een weg waarop de wetenschap zich zal moeten transformeren naar ennisverwerving van niet alleen fysische maar ook de metafysische wereld. Daarmee zullen de fundamenten, van zowel het wetenschappelijk domein als de wetenschappelijke methodes, moeten worden toegesneden op deze beide dimensies.

Een opstap voor deze transformatie van de huidige westerse wetenschap kan naar mijn mening gevonden worden in Vedanta. De westerse wetenschap beperkt zich tot tot het domein van de zintuiglijke waarneming, waarbij bewijzen slechts daarop gebaseerd kunnen zijn. Daarentegen beschouwd Vedanta de hoogste waarheid gelegen voorbij het domein van zintuiglijke waarneming.

Vedanta baseert zich op het domein van super-gevoelige waarneming (atindriya anubhuti). Volgens Vedanta is namelijk ook het verstand een zintuig (antahkaranam), het interne instrument van weten. Dus in aanvulling op de vijf ‘klassieke’ zintuigen (zien, horen, ruiken, voelen en proeven) wordt het verstand beschouwd als het zesde zintuig: het interne zintuig. Vanuit dat perspectief kan volgens Vedanta theoretiseren leiden tot intellectuele kennis die is verkregen buiten de ‘klassieke’ zintuigen om. Voorzover dit middels super-gevoeligheid (atindriya) wordt verkregen betreft het zelfs kennis die verkregen is buiten het begrip van het verstand om.

Het bijzondere van Vedanta is dat de waarheden buiten de dimensies van tijd, ruimte en causaliteit liggen. De verkregen waarheden zijn vanzelfsprekend, onveranderlijk, ongedifferentieerd en volledig onafhankelijk. Het staat op zich zonder zich op een andere bron te hoeven beroepen.

Ik daag de wetenschap uit om deze weg te bewandelen, om zo de echte waarheid te vinden.

 

ENGLISH VERSION

Science has brought us many technological developments that in the first instance facilitate life in a practical sense. Viewed from the perspective of Maslow’s pyramid of needs, all technological developments have made a major contribution to our physical needs, our safety needs; security and social contact needs. Where it has brought us little, but also can help us little, is fulfilling the needs for self-respect and self-realization. And the need for self-transcendence is certainly not an area in which technological developments have delivered. We will therefore have to find the interpretation of this from a different source.

And that source, as those three higher needs themselves indicate, is “inside”: in the “self”. As everyone will agree, he (or she) is not his body, but something transcendent, either his mind or spiritual core. Thus the key to self-respect, self-realization and self-transcendence lies on the spiritual plane. Only by “going inside” can you gain insight into your “higher” needs.

“Unfortunately,” on the one hand, science itself and, on the other hand, their offshoots, the technological developments during the last 50 years, have ensured that we have moved away from the spiritual path [at least] in the West. The scientific discoveries gave scientists the confidence that in the end an explanation could be found for everything and that the world would be “makeable”. Something that was also presented to the non-scientists and whatever they have come to believe in. With that there was no need anymore for an almighty God, the human being could do it himself and the religious path that was present until then was abandoned. That is, secularization was reinforced by the practical technological applications that made life more bearable by the day, making the “flight” to a religion no longer so necessary. And with this waning presence of religion in the West, attention to the spiritual disappeared at the same time. The world seemed manageable and it was a matter of time or life was also fully manageable.

In the last few decades in particular, however, it appears that the scientific discoveries of the last hundred years no longer provide essential answers to the essential questions about existence. Even further, the scientific discoveries themselves proved that the scientifically constructed reality (and this reality still exists for most of us) since the 18th century was not correct. In particular, it is becoming evident that there is a transcendent reality that must be the source of natural reality. With this, science has questioned its own historical foundations. It’s a discussion that, unfortunately, will be needed by several generations to bring science to the next (read: more fully-fledged) level. A way in which science will have to transform itself into knowledge acquisition of not only physical but also the metaphysical world has to be discussed. The foundations of both the scientific domain and the scientific methods must therefore be tailored to these two dimensions.

In my opinion, a stepping stone for this transformation of current Western science can be found in Vedanta. Western science is limited to the domain of sensory perception, where evidence can only be based on that. In contrast, Vedanta considers the highest truth beyond the realm of sensory perception.

Vedanta relies on the domain of super-sensitive perception (atindriya anubhuti). According to Vedanta, the mind is also a sense (antahkaranam), the internal instrument of knowing. So in addition to the five “classical” senses (seeing, hearing, smelling, feeling and tasting), the mind is considered the sixth sense: the internal sense. From that perspective, according to Vedanta, theorizing can lead to intellectual knowledge acquired outside the “classical” senses. Insofar as this is obtained through super-sensitivity (atindriya), it even concerns knowledge that has been obtained outside the understanding of the mind.

 

The special thing about Vedanta is that the truths lie outside the dimensions of time, space and causality. The truths obtained are self-evident, unchanging, undifferentiated and completely independent. It stands on its own without having to rely on another source.

I challenge science to follow this path in order to find the real truth.


Dhr Corné van Nijhuis is de Bijdragende Redacteur van deze sectie.

Dit deel is het filosofische deel. Het thema zelf is moeilijk. We vragen u om deel te nemen en uw mening te geven in het commentaargedeelte.