0 0
Read Time:7 Minute, 39 Second

‘Out of the East, Light’

Kees Boukema

Since the 17th century, European seekers of wisdom have also turned to the East. Around 1700, for example, there was a lively discussion in France about the relationship between Chinese philosophy and the ideas of the Enlightenment. Pascal and Voltaire took part in it. The German philosopher Gottfried Wilhelm Leibniz [1646 – 1716] also entered the debate with his treatise ‘Discours sur la théologie naturelle de Chinois’. He is regarded as the first major European thinker to understand the greatness of Chinese culture.

The German philosopher Arthur Schopenhauer (1788 – 1860) was well versed in the Eastern world of thought (in his case that of India), thanks to translations that were now available. Eastern thinking was not just an illustration for him, but was fully integrated into his system, and was even the core of his philosophy. In the preface to his main work, Schopenhauer therefore expresses the hope ‘that the reader has been initiated into the ancient Indian wisdom and has shown himself receptive to that initiation’. Influences of Vedanta are apparent in his philosophy; thus he qualifies the visible world, which appears in the individual as phenomena in consciousness, as an illusion [Maya]. And he calls “pantheism” (the world is God) the “courtesiest way to sideline God.”

From the middle of the last century, a broad interest in Eastern philosophy and religion arose in the West, even among non-professional philosophers. Young people from Europe and America turned to gurus in India for answers to their life’s questions. Few writers of the 20th century have contributed as much to this quest for spiritual liberation from the Western, materialistic world as the German/Swiss poet and writer Hermann Hesse (1877 – 1962). His novels Steppenwolf, Demian and Siddhartha were for many the building materials for the dreamed ‘counterculture’.

Hesse himself received a Christian upbringing. His parents and grandparents were devout Protestants, who devoted their lives to the Christian mission. Hesse had “not received any religious experience” in his youth. His maternal grandfather had served as a missionary in India. Hesse was introduced to Indian religion and culture through him. This spiritual world had a much greater attraction to him. Here “no scary space oppressed him and his imagination could open up.” He was able to take in the messages from the Indian world ‘without resistance and worked through his entire life’.

According to Hesse, it is difficult for a Westerner to understand that God can be transcendent and immanent at the same time. For the Indian it is a foregone conclusion from the outset that human knowledge and thought are sufficient to understand the human world, but that we can only approach the Divine with surrender, devotion and meditation [Mein Glaube, p. 35]. Every human being has an individual, fickle and fearful “I,” and a hidden, holy, and patient “I.” That is our portion in God. It is the essential core of the soul which the Indian calls “Atman.” When Jesus says “the Kingdom of Heaven is within you,” he means exactly the same [Mein Glaube, p. 90 and 91].

Hesse understood the sayings of Jesus in the New Testament not as commandments, but as expressions of deep insight into the human soul. He read in “Love thy neighbor as thyself” the Christian translation of “Tat twam asi” (That art thou) from the Upanishads [Mein Glaube, p. 94] He saw religions as training systems to break free from the personal ‘I’ and get closer to the divine in us. What knowledge of the secret he possessed was not revealed to him. “I learned it and gathered it together . . . by reading, thinking, and searching” [Mein Glaube, p. 110 and 106].

The study of Eastern thought led Hesse and many others to turn back to Christianity, the tradition in which they had been brought up. But not so much the ecclesiastical Christianity that had been bricked up by education and theology as a way to God, but a more personal, mystical Christianity [Mein Glaube, p. 92]. There was a renewed interest in Christian mystics such as Meister Eckehart and John of the Cross, Hadewych and Hildegard von Bingen. Some Christian churches, too, have begun to see the benefit and necessity of interfaith dialogue with Hinduism and Buddhism.


‘Ex Oriënte Lux’

Kees Boukema

 

Al sedert de 17e eeuw steken Europese zoekers naar wijsheid ook hun licht op in het Oosten. Zo werd rond 1700 in Frankrijk een levendige discussie gevoerd over de verhouding tussen de Chinese filosofie en de ideeën van de Verlichting. Pascal en Voltaire namen er aan deel. Met zijn traktaat ‘Discours sur la théologie naturelle de Chinois’ mengde ook de Duitse filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz [1646 – 1716] zich in het debat. Hij wordt gezien als de eerste belangrijke Europese denker die de grootheid van de Chinese cultuur begreep.

De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788 – 1860) was, dankzij vertalingen die inmiddels beschikbaar waren, goed thuis in de oosterse denkwereld (in zijn geval die van India). Het oosterse denken was voor hem niet slechts illustratie, maar is geïntegreerd en zelfs de kern van zijn filosofie. In het voorwoord bij zijn hoofdwerk spreekt Schopenhauer dan ook de hoop uit ‘dat de lezer is ingewijd in de aloude Indische wijsheid en zich voor die inwijding ontvankelijk heeft getoond’. Invloeden van Vedanta zijn aanwijsbaar in zijn filosofie; zo kwalificeert hij de zichtbare wereld, die zich bij de mens voordoet als verschijnselen in het bewustzijn, als een illusie [Maya]. En hij noemt het ‘pantheïsme’ (de wereld is God) de ‘hoffelijkste manier om God buiten spel te zetten’.

Vanaf het midden van vorige eeuw ontstond in het Westen, ook bij niet-vakfilosofen, een brede belangstelling voor oosterse filosofie en religie. Jongeren uit Europa en Amerika gingen voor antwoorden op hun levensvragen te rade bij goeroe’s in India. Weinig schrijvers van de 20e  eeuw hebben aan deze zoektocht naar spirituele bevrijding uit de westerse, materialistische wereld, zoveel bijgedragen als de Duits/Zwitserse dichter en schrijver Hermann Hesse (1877 – 1962). Zijn romans Steppenwolf, Demian en Siddhartha waren voor velen de bouwstoffen voor de gedroomde ‘tegencultuur’.

Zelf kreeg Hesse een christelijke opvoeding. Zijn ouders en grootouders waren vrome protestanten, die hun leven in dienst stelden van de christelijke zending. Hesse had in zijn jeugd ‘geen enkele religieuze ervaring ontvangen’. Zijn grootvader van moederszijde was zendeling geweest in India. Door hem maakte Hesse kennis met de Indische religie en cultuur. Deze geestelijke wereld had voor hem een veel grotere aantrekkelijkheid. Hier ‘bedrukte hem geen enge ruimte en kon zijn fantasie open gaan’. De boodschappen uit de Indische wereld kon hij ‘zonder verzet opnemen en hebben zijn leven lang doorgewerkt’.

Volgens Hesse is het voor een westerling maar moeilijk te begrijpen, dat God tegelijk transcendent en immanent kan zijn. Voor de Indiër is het van meet af aan een uitgemaakte zaak, dat menselijke kennis en denken toereikend is om de mensenwereld te begrijpen, maar dat we het goddelijke alleen met overgave, devotie en meditatie tegemoet kunnen treden [Mein Glaube, p. 35]. Elk mens heeft een individueel, wisselvallig en vreesachtig ‘ik’, en een verborgen, heilig en geduldig ‘ik’. Dat is ons deel in God. Het is de wezenlijke kern van de ziel, die de Indiër ‘Atman’ noemt. Wanneer Jezus zegt ‘het Koninkrijk der Hemelen is binnen in u’, bedoelt hij precies hetzelfde [Mein Glaube, p. 90 en 91].

Hesse vatte de uitspraken van Jezus in het Nieuwe Testament niet op als geboden, maar als uitingen van diep inzicht in de menselijke ziel. Hij las in “Heb je naaste lief als jezelf” de christelijke vertaling van “Tat twam asi” (Dat zijt gijzelf) van de Upanishads [Mein Glaube, p. 94] Religies zag hij als oefensystemen om los te komen van het persoonlijke ‘ik’ en dichter te komen bij het goddelijke in ons. Wat hijzelf aan kennis van het geheim bezat was hem niet geopenbaard. ‘Ik heb het geleerd en bij elkaar gezocht (….) langs de weg van lezen, denken en zoeken’ [Mein Glaube, p. 110 en 106].

De studie van het oosterse denken leidde bij Hesse en veel anderen tot een wending terug naar het christendom, de traditie waarin ze waren opgevoed. Maar niet zozeer het kerkelijk christendom dat door opvoeding en theologie was dichtgemetseld als weg naar God, maar een meer persoonlijk, mystiek christendom [Mein Glaube, p. 92]. Er ontstond een hernieuwde interesse in christelijke mystici als Meister Eckehart en Johannes van het Kruis, Hadewych en Hildegard von Bingen. Ook sommige christelijke kerken begonnen nut en noodzaak in te zien van een interreligieuze dialoog met het hindoeïsme en boeddhisme.

 


ABOUT THE AUTHOR

Kees Boukema has been a student of Vedanta and other philosophical systems for decades. He has contributed variously to the field of higher thinking. He has written numerous articles on philosophical subjects, reviewed books, and has translated important articles and books. Mr Kees Boukema’s most recent work is the translation into Dutch of the book The Practice of Meditation.

Kees Boukema is sinds decennia student van Vedanta en andere filosofische systemen. Hij heeft divers bijgedragen aan het veld van hoger denken. Hij heeft belangrijke artikelen en boeken geschreven en vertaald. Het nieuwste boek van Dhr Kees Boukema is, De Beoefening van Meditatie.

 

 

 

Happy
Happy
0 %
Sad
Sad
0 %
Excited
Excited
0 %
Sleppy
Sleppy
0 %
Angry
Angry
0 %
Surprise
Surprise
0 %