Young conductor of Les Preludes

The Conception of God in Vedanta

Swami Vivekananda

 

The religion of the Vedanta can satisfy the demands of the scientific world, by referring it to the highest generalisation and to the law of evolution. That the explanation of a thing comes from within itself is still more completely satisfied by Vedanta. The Brahman, the God of the Vedanta, has nothing outside of Himself; nothing at all. All this indeed is He: He is in the universe: He is the universe Himself. “Thou art the man, Thou art the woman, Thou art the young man walking in the pride of youth, Thou art the old man tottering in his step.” He is here. Him we see and feel: in Him we live, and move, and have our being.

He manifests Himself, as it were, in this universe. You and I are little bits, little points, little channels, little expressions, all living inside of that infinite ocean of Existence, Knowledge, and Bliss. The difference between man and man, between angels and man, between man and animals, between animals and plants, between plants and stones is not in kind, because everyone from the highest angel to the lowest particle of matter is but an expression of that one infinite ocean, and the difference is only in degree. I am a low manifestation, you may be a higher, but in both the materials are the same. You and I are both outlets of the same channel, and that is God; as such, your nature is God, and so is mine. You are of the nature of God by your birthright; so am I. You may be an angel of purity, and I may be the blackest of demons. Nevertheless, my birthright is that infinite ocean of Existence, Knowledge, and Bliss. So is yours. You have manifested yourself more today. Wait; I will manifest myself more yet, for I have it all within me. No extraneous explanation is sought; none is asked for.

The sum total of this whole universe is God Himself. Is God then matter? No, certainly not, for matter is that God perceived by the five senses; that God as perceived through the intellect is mind; and when the spirit sees, He is seen as spirit. He is not matter, but whatever is real in matter is He. Whatever is real in this chair is He, for the chair requires two things to make it. Something was outside which my senses brought to me, and to which my mind contributed something else, and the combination of these two is the chair. That which existed eternally, independent of the senses and of the intellect, was the Lord Himself. Upon Him the senses are painting chairs, and tables, and rooms, houses, and worlds, and moons, and suns, and stars, and everything else. How is it, then, that we all see this same chair, that we are all alike painting these various things on the Lord, on this Existence, Knowledge, and Bliss? It need not be that all paint the same way, but those who paint the same way are on the same plane of existence and therefore they see one another’s paintings as well as one another. There may be millions of beings between you and me who do not paint the Lord in the same way, and them and their paintings we do not see.

On the other hand, as you all know, the modern physical researches are tending more and more to demonstrate that what is real is but the finer; the gross is simply appearance. However that may be, we have seen that if any theory of religion can stand the test of modern reasoning, it is the Advaita, because it fulfils its two requirements. It is the highest generalisation, beyond even personality, generalisation which is common to every being. A generalisation ending in the Personal God can never be universal, for, first of all, to conceive of a Personal God we must say, He is all-merciful, all-good.

 


God in Vedanta

Swami Vivekananda

De religie van de Vedanta kan voldoen aan de eisen van de wetenschappelijke wereld, door te verwijzen naar de hoogste veralgemening en naar de wet van evolutie. Dat de verklaring van een ding van binnenuit komt, wordt nog vollediger door Vedanta bevredigd. Het Brahman, de God van de Vedanta, heeft niets buiten Zichzelf; helemaal niets. Dit alles is inderdaad Hij: Hij is in het universum: Hij is het universum Zelf. “Jij bent de man, jij bent de vrouw, jij bent de jonge man die loopt in de trots van de jeugd, jij bent de oude man die wankelt in zijn stap.” Hij is hier. Hem zien en voelen wij: in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.

Hij manifesteert zich als het ware in dit universum. Jij en ik zijn kleine stukjes, kleine punten, kleine kanalen, kleine uitdrukkingen, die allemaal leven in die oneindige oceaan van Bestaan, Kennis en Gelukzaligheid. Het verschil tussen mens en mens, tussen engelen en mens, tussen mens en dier, tussen dieren en planten, tussen planten en stenen is niet in natura, want iedereen, van de hoogste engel tot het laagste materiedeeltje is slechts een uitdrukking van dat ene oneindige oceaan, en het verschil is alleen in graad. Ik ben een lage manifestatie, jij mag een hogere zijn, maar in beide zijn de materialen hetzelfde. Jij en ik zijn beide kanalen van hetzelfde kanaal, en dat is God; als zodanig is jouw natuur God, en de mijne ook. U bent van de aard van God door uw geboorterecht; ik ook. Jij mag een engel van zuiverheid zijn, en ik kan de zwartste van alle demonen zijn. Niettemin is mijn geboorterecht die oneindige oceaan van Bestaan, Kennis en Gelukzaligheid. Zo ook die van jou. Je hebt jezelf vandaag meer gemanifesteerd. Wacht; Ik zal me nog meer manifesteren, want ik heb het allemaal in mij. Er wordt geen externe verklaring gezocht; er wordt niet om gevraagd.

De som van dit hele universum is God Zelf. Is God dan materie? Nee, zeker niet, want de materie is dat God wordt waargenomen door de vijf zintuigen; dat God zoals waargenomen door het intellect de geest is; en wanneer de geest ziet, wordt Hij gezien als geest. Hij is geen materie, maar wat werkelijk in de materie is, is Hij. Wat echt in deze stoel is, is Hij, want de stoel heeft twee dingen nodig om hem te maken. Er was iets buiten dat mijn zintuigen me brachten, en waaraan mijn geest iets anders bijdroeg, en de combinatie van deze twee is de stoel. Dat wat eeuwig bestond, onafhankelijk van de zintuigen en van het intellect, was de Heer Zelf. Op Hem schilderen de zintuigen stoelen en tafels en kamers, huizen en werelden en manen en zonnen en sterren en al het andere. Hoe komt het dan dat we allemaal dezelfde stoel zien, dat we allemaal deze verschillende dingen op de Heer schilderen, op dit Bestaan, Kennis en Gelukzaligheid? Het hoeft niet zo te zijn dat iedereen op dezelfde manier schildert, maar degenen die op dezelfde manier schilderen, bevinden zich op hetzelfde bestaansniveau en zien daarom zowel elkaars schilderijen als elkaar. Er kunnen miljoenen wezens tussen u en mij zijn die de Heer niet op dezelfde manier schilderen, en zij en hun schilderijen zien we niet.

Aan de andere kant, zoals jullie allemaal weten, neigen de moderne fysische onderzoeken er steeds meer toe om aan te tonen dat wat echt is, slechts het fijner is; het bruto is gewoon schijn. Hoe dat ook moge zijn, we hebben gezien dat als er een religietheorie is die de toets van de moderne redenering kan doorstaan, het wel de Advaita is, omdat deze aan zijn twee vereisten voldoet. Het is de hoogste veralgemening, zelfs voorbij de persoonlijkheid, veralgemening die ieder wezen gemeen heeft. Een veralgemening die eindigt op de Persoonlijke God kan nooit universeel zijn, want om ons een persoonlijke God voor te stellen, moeten we allereerst zeggen: Hij is albarmhartig, algoed.