Swami Premanandaji
17th June 1913. It was at the Visitors’ Room at the Belur Math. After the afternoon class on Sri Sri Ramakrishna ‘Kathamrita, Swami Premananda said : “Every Sadhaka must take up a definite attitude towards God and stick to it. He must maintain it under all conditions. There are many bhavas (attitudes) possible. Sri Ramakrishna practised in all bhavas: as a friend, a lady-friend and a sweetheart of the Lord, and also in the attitude of Balarama, the brother of Sri Krishna. One can also practise in the bhava of Mahadeva. “One must have intense dispassion for the world and deep hankering for the Lord — I must realise Him even in this birth: even now! No slow process ! Remember this carefully: Work is of no use if you do not get immersed in Him. Make your heart a temple of the Lord and install Him there. Take His name and for ever lose yourselves in Him.”
Next day Swami Premananda’s mother visited the Math. After she had rested a while, the disciple asked her: “When Sri Ramakrishna asked you to give him your son, what did he actually say?” She replied : “He said: ‘Give me your son. I feel much pleased when he gives me even a glass of water.’ I said: “Does anybody give away her son for nothing?” To this Sri Ramakrishna smiled and replied: ‘Wliat shall I give you ? May you have devotion to your Chosen Deity!’”
A villager, who was a teacher in a school, was narrating his family mishaps to Swami Premananda. The Swami said: “There was a Brahmo gentleman named Mani Mallik, who used to visit Sri Ramakrishna. His son died. Mani Mallik was overwhelmed with grief and came to the Master for relief. At first the Master said : ‘Indeed, what can you do? The bereavement of a son is no trifling thing,’ and so on. He then sat silent for a while after which he began to sing, clapping his hands: ‘To arms! To arms! O man! Death enters thy home in battle array!’ etc. Before he left, Mallik said to the Master: ‘My mind is quite peaceful now. Now I suffer no more.’ Seeing the villagers, Swami Premananda remarked: “I am overjoyed to see their (of the villagers) enthusiasm. The Master fed us so often with sweets, and loved us so much! Thus did we go to him. But what have these people received? They merely read of him in books. And yet how full of joy and enthusiasm they are! In this hot sun they went to the station and themselves carried all loads, barefooted and bareheaded. And they are cooking for all. They also serve cholera patients and thus rid themselves of all pride, egoism and fear. And they are quite mindful of their studies also. All this fills me with a great joy. It is to see these things that I hasten to these parts. What am I doing? The Master himself has accomplished everything already. Swamiji said: “The Master will be worshipped in every home. Go forth all of you and spread his name everywhere.” Otherwise what shall I, an ignorant man, preach?. . . When I see all this, I think thus: ‘This body will perish one day. What is the good of remaining at home for the sake of health? If my presence serves any purpose of the people, let me suffer all the troubles of travel and movement. I don’t mind. In these places I actually see what the Master and Swamiji had prophesied before. You will not be required to do much. Just observe these things carefully, and you will learn to love Sri Ramakrishna automatically. Is it easy to meditate and repeat His name continually ? Impossible. Therefore meditate as long as you can and devote the rest of the time in selfless service to others. Thus gradually will your mind be purified and attached to the Lord.”
“My mother used now and then to shut herself within a room and meditate all day. If we happened to return home from Calcutta on those days, we had to live in a neighbouring house, and meet her next day. She was very strict in her discipline. She would never allow us to stay with her in the village home, because she feared that would spoil our education. But she would never utter a harsh word to her daughters-in-law and maidservants.”
Nederlands
17 juni 1913. Het vond plaats in de bezoekersruimte van de Belur Math. Na de middagles over Sri Sri Ramakrishna ‘Kathamrita’ zei Swami Premananda: “Elke Sadhaka moet een bepaalde houding ten opzichte van God aannemen en daaraan vasthouden. Hij moet die onder alle omstandigheden handhaven. Er zijn vele bhavas (houdingen) mogelijk. Sri Ramakrishna beoefende alle bhavas: als vriend, geliefde en geliefde van de Heer, en ook in de houding van Balarama, de broer van Sri Krishna. Men kan ook oefenen in de bhava van Mahadeva. “Men moet een intense onthechting van de wereld hebben en een diep verlangen naar de Heer – ik moet Hem zelfs in dit leven realiseren: zelfs nu! Geen langzaam proces! Onthoud dit goed: werk is nutteloos als je niet in Hem opgaat. Maak van je hart een tempel van de Heer en plaats Hem daar. Roep Zijn naam aan en verlies jezelf voor altijd in Hem.”
De volgende dag bezocht de moeder van Swami Premananda de Math. Nadat ze even had uitgerust, vroeg de discipel haar: “Wat zei Sri Ramakrishna precies toen hij u vroeg uw zoon aan hem te geven?” Ze antwoordde: “Hij zei: ‘Geef me uw zoon. Ik ben al heel blij als hij me zelfs maar een glas water geeft.’ Ik zei: ‘Geeft iemand zijn zoon zomaar weg?’ Daarop glimlachte Sri Ramakrishna en antwoordde: ‘Wat zal ik je geven? Moge je toewijding hebben aan je Uitverkoren Godheid!'”
Een dorpsbewoner, die leraar was op een school, vertelde Swami Premananda over de tegenslagen in zijn familie. De Swami zei: “Er was een Brahmo-heer genaamd Mani Mallik, die Sri Ramakrishna regelmatig bezocht. Zijn zoon was overleden. Mani Mallik was overweldigd door verdriet en kwam naar de Meester voor troost. In eerste instantie zei de Meester: ‘Inderdaad, wat kun je doen?'” Het verlies van een zoon is geen kleinigheid,’ enzovoort. Hij zweeg even, waarna hij begon te zingen en in zijn handen te klappen: ‘Naar de wapens! Naar de wapens! O mens! De dood betreedt je huis in slagorde!’ enz. Voordat hij wegging, zei Mallik tegen de Meester: ‘Mijn geest is nu volkomen vredig.’ ‘Nu lijd ik niet meer.’ Toen hij de dorpelingen zag, merkte Swami Premananda op: ‘Ik ben dolblij om hun (de dorpelingen) enthousiasme te zien. De Meester gaf ons zo vaak zoetigheden en hield zoveel van ons! Zo gingen we naar hem toe. Maar wat hebben deze mensen ontvangen? Ze hebben alleen over hem gelezen in boeken. En toch, wat zijn ze vol vreugde en enthousiasme! In deze brandende zon gingen ze naar het station en droegen zelf alle lasten, blootsvoets en met onbedekte hoofden. En ze koken voor iedereen. Ze verzorgen ook cholerapatiënten en ontdoen zich zo van alle trots, egoïsme en angst. En ze zijn ook nog eens heel geconcentreerd op hun studie. Dit alles vervult me met grote vreugde. Het is om deze dingen te zien dat ik me naar deze streken haast. Wat doe ik? De Meester zelf heeft alles al volbracht. Swamiji zei: “De Meester zal in elk huis vereerd worden. Ga heen en verspreid zijn naam overal.”‘ Anders wat zou ik, een onwetende man, dan prediken?… Wanneer ik dit alles zie, denk ik: ‘Dit lichaam zal op een dag vergaan. Wat heeft het voor zin om thuis te blijven omwille van mijn gezondheid? Als mijn aanwezigheid de mensen ten goede komt, laat mij dan alle moeite van het reizen en de verplaatsingen maar verdragen. Dat vind ik niet erg. Op deze plekken zie ik daadwerkelijk wat de Meester en Swamiji eerder hadden voorspeld. Je hoeft niet veel te doen. Observeer deze dingen aandachtig, en je zult vanzelf van Sri Ramakrishna gaan houden. Is het gemakkelijk om te mediteren en Zijn naam voortdurend te herhalen? Onmogelijk. Mediteer daarom zo lang als je kunt en wijd de rest van de tijd aan onbaatzuchtige dienstbaarheid aan anderen. Zo zal je geest geleidelijk aan gezuiverd worden en aan de Heer gehecht raken.’
“Mijn moeder sloot zich zo nu en dan op in een kamer om de hele dag te mediteren. Als we op die dagen toevallig uit Calcutta terugkwamen, moesten we in een naburig huis logeren en haar de volgende dag weer ontmoeten. Ze was erg streng. Ze stond ons nooit toe om bij haar in het dorp te blijven, omdat ze bang was dat dat onze opleiding zou schaden. Maar ze sprak nooit een hard woord tegen haar schoondochters en dienstmeisjes.”
